III. De Deugden Gods (e.)
Gods eeuwigheid.
God is de Onafhandelijke; de Eenvoudige; maar ook de Eeuwige! Op Hem is het denkbeeld van tij d in 't geheel niet van toepassing: Hij is tijdeloos, d.w.z.:
zonder tijd! Eerst met de schepping der wereld is de tijd gekomen en ze heeft slechts betrekking op de bestaansduur der geschapen dingen. En aangezien God geen geschapen wezen is, kan er bij Hem ook geen sprake zijn van tijd. Hij is zonder begin, zonder levenswisseling, zonder einde.
God heeft geen begin gehad! Ware dit wel zo, dan zou Hij geen God kunnen zijn, want elk begin heeft een schepper of maker nodig en de werker is eerder dan het werk. Wanneer nu God de Heere een begin gekend had, zou er iemand hebben moeten bestaan vóór Hem, die dan aan Hem het aanzijn zou gegeven hebben. Dit is echter niet het geval! Van alles wat een begin gehad heeft is Hij juist de Schepper. Van alle werk is Hij de Werkmeester, van alle begin en ontstaan is Hij de Oorsprong! Daarom kunnen en mogen we van Hem spreken als van de enige God, van die God, die met recht de Eeuwige genoemd wordt.
U een juist begrip te geven van wat het woord „eeuwig" eigenlijk inhoudt is onmogelijk! Wij mensen, met ons eindig verstand, kunnen er ons ook eigenlijk geen voorstelling van maken. Want van de absolute eeuwigheid hebben we geen begrip! We stellen ons de eeuwigheid dikwijls voor als een tijd zonder begin en zonder einde. We zijn dan van gedachte, dat er duizenden en nog eens duizenden, ja millioenen en nog eens millioenen van jaren aan de schepping van hemel en aarde zijn voorafgegaan. En onwillekeurig brengen we dan het denkbeeld van t ij d, zij het dan ook een lange, onafzienbare tijd, hierbij te pas. En toch, zo is het niet. De eeuwigheid is geen tijd van lange duur, is ook niet een tijd zonder begin, maar ze is in het geheel geen t ij d. De eeuwigheid Gods doordringt en omvat alles en alle eeuwen als in één ogenblik. Bij God is nooit een verleden tijd en evenmin een toekomende tijd, maar bij Hem is het altoos tegenwoordige tijd. Bij Hem is het altijd nu, een eeuwig heden!
Wij mensen zeggen, dat de geboorte van cle Heere Jezus Christus te Bethlehem plaats vond aan het begin onzer jaartelling, nu ruim 19 V2 eeuw geleden en dat is ook zo; maar bij God is het anders. Hij telt niet met jaren, nog minder met eeuwen, want duizend jaren zijn in Zijn ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. (Ps. 90 : 4). En als Mozes er van uitroept in vers 2 van diezelfde Psalm: a van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God!, dan zegt hij daarmede tevens, dat de Heere zonder begin en zonder einde is.
Een ander gewichtig punt in deze is, dat God ook zonder vervolg van t ij d is. Dit stuk in onze Gereformeerde leer dienen we goed vast te houden, vooral in de strijd tegen ongereformeerde voorstellingen. Bij God is alles eeuwig h e d e n, hebben we gezegd en daarom kan er in Zijn verstand en in Zijn wil, in Zijn weten en in Zijn besluiten niet het één na het ander in volgorde van tijd opkomen. De Remonstranten en Socinianen ontkennen dit echter ten sterkste. Zij willen nog wel in een God geloven, Wiens bestaan is zonder begin en zonder eind, maar van een eeuwig heden in God willen ze niets weten. Ze zijn van mening, dat er bij God wél een opeenvolging is van tijd, wèl een verleden, heden en toekomst, zoals dit het geval is bij al het stoffelijke. Tot deze dwaling moeten zij wel komen, om de vrije wil des mensen en zijn handelingen daaruit voortvloeiende uit te sluiten van Gods voorkennis en eeuwig raadsbesluit. God zou dan de handelingen des mensen niet eerder weten, dan wanneer ze gedaan worden. Dit te stellen is de Schepper afhankelijk maken van Zijn schepsel! En deze onzuivere voorstelling is het gevoelen van allen, die de onveranderlijke voorverordening Gods ontkennen. Zij stellen een onveranderlijkheid in de Goddelijke besluiten, dus een opeenvolging van het ene besluit na het andere. Waarmede dan geleerd wordt, dat God zo dikwijls van besluit verandert, als de mens het goedvindt zijn handel en wandel te wijzigen.
Wij erkennen en belijden echter op grond van Gods Woord, dat bij de Eeuwige geen vervolg van tijd is.
Het begrip „t ij d" is op God niet over te brengen. De eeuwige God heeft geen deel aan de tijd dan alleen hierdoor, dat Hij de tijd gemaakt heeft en Zich in de tijd openbaart en Zijn raadsbesluiten uitvoert. Zijn werken voert Hij in cle tijd uit, maar Hijzelf en Zijn besluiten zijn eeuwig, dat is: altoos heden en nimmer verleden of toekomst.
En omdat God de Eeuwige is, zal Hij straks, als er geen tijd meer zijn zal, zijn duurgekochte volk een eeuwige gelukzaligheid doen smaken. Dan zullen ze Hem zien en aanschouwen, om zich eeuwig te verlustigen in Hem, die daar in de eeuwigheid woont en wiens Naam is: Vader der eeuwigheid!
Maar Gij hebt, o Opperwezen! Nooit verandering te vrezen; Gij, die d' eeuwen acht als uren, Zult all' eeuwigheid verduren. (Ps. 102 : 15 ber.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1952
Daniel | 12 Pagina's