Nogmaals: „Wat is het verschil ?"
In „Daniël" van 15 December 1950 wijdt een J.V.'ër enige weloverwogen en gegronde beschouwingen aan het antwoord, dat de vragenbusredacteur van het „Gereformeerd jongelingsblad" in het nummer van 10 November 1950 gegeven heeft op de vraag: „Wat is het verschil tussen de gereformeerde gemeenten en ons? " Gaarne wil ik daarover ook nog iets schrijven.
Nadat aan de vraagsteller het verschil tussen beide kerkformaties uiteengezet is, wordt hij, indien hij meer van de gereformeerde gemeenten weten wil, o.m. verwezen naar een artikel van pi-of. dr IZ. Dijk in „Bouwen en bewaren" van 22 April 1949. Toen ik dit artikel gelezen had, stelde ik mij in gedachten de vraag: „Is prof. Dijk misschien de vragenbusredacteur? Het antwoord, dat summier gehouden is, doet mij deze vraag in positieve zin beantwoorden. Het is immers niet anders dan een except uit het artikel, dat geplaatst is in cle rubriek: „De gereformeerde gezindheid" en tot opschrift draagt: „De gereformeerde gemeenten". Het is heus cle moeite waard van dat artikel kennis te nemen.
De gereformeerde gemeenten lijden volgens prof. Dijk aan de ziekte, welke gewoonlijk wordt aangeduid met de naam piëtisme of vals-mysticisme. Wat is eigenlijk piëtisme ? Dat is de richting in het protestantisme, welke nadruk legt op vroomheid van gemoed en op een leven, dat daarmee in overeenstemming is; inzonderheid de richting, welke door Spener en zijn aanhangers sedert 1689 is ontwikkeld en bij welke ook de practijk van het Christendom op de voorgrond stond. In ruimere zin duidt men hiermede thans in het algemeen ook de diep doorleefde min of meer dwepende vroomheid aan. Prof. Dijk stelt in zijn artikel de diagnose, want hij onderkent de ziekte van het piëtisme uit de verschijnselen, welke hij daarna opsomt. Laten wij deze verschijnselen eens wat nader bezien. Onze gemeenten worden er van beschuldigd, dat zij het zwaartepunt verleggen van het werk van Christus buiten ons naai' het werk des Geestes in ons en dat niet de verwerving, doch de toepassing van de verlossing het eerste en het hoogste is; het komt er op aan, dat we er deel aan hebben, of liever: hoe we er deel aan gekregen hebben, en heel het godsdienstig leven beweegt zich om de vragen, hoe een mens er aan gekomen is en wat hij bevonden en ervaren heeft en met welke kenmerken hij voor de dag kan komen, aldus deze hoogleraar. De predikanten van onze gemeenten besteden in hun predicaties zowel aandacht aan het werk van Christus buiten ons als aan het werk des Geestes in ons. Inderdaad komt het er op aan of, en zo ja op welke wijze, wij deel gekregen hebben aan Christus. De kerkganger moet in de dienst des Woords tot nauwe zelfbeproeving worden opgewekt. Ook de vaders der Afscheiding wezen aan de hand van Gods Woord de kenmerken van het oprecht geloof aan. Zij beoogden met de beschrijving van de kenmerken der genade mede te troosten en te bemoedigen de zwakgelovigen en de bekommerden, die door het waarnemen van wat Gods Geest in hen gewerkt had, konden verlevendigd worden in het vertrouwen, dat de Heere hun genoegzaam deel en hun eeuwig goed was. Het werk van de Heilige Geest in) de harten der gelovigen werd in de verkondiging des Woords voor de gemeente verklaard. De Kamper hoogleraar, wijlen dr T. Hoekstra, zegt in zijn herzien „Gereformeerd kerkboek", dat het oordeel der liefde geveld wordt naar de kenmerken door de Heere verordend. Zo worden ons ook in cle gereformeerde gemeenten wel de kenmerken van de ware bekering voorgehouden, maar de mens wordt gewaarschuwd er zijn zaligheid niet op te bouwen. De prediking moet immers christocentrisch zijn. Voorts zegt prof. Dijk, dat het subjectivisme gepaard gaat met een zeer bedenkelijk individualisme; voor gemeenschap . en kerk wordt ten diepste weinig gevoeld. Wij kunnen dit niet beamen. Wel is mij bekend, dat in het gereformeerd kerkblad voor Drente en Overijssel meermalen een oproep wordt gedaan toch vooral naarstig op te gaan naar Gods Huis, inzonderheid des Zondags. Dit wijst m.i. er op, dat het kerkbezoek in sommige plaatsen nog wel eens te wensen overlaat. Zegt het ons niet genoeg, als ds J. van der Sluis, gereformeerd predikant te Wijhe (O.), in het gereformeerd kerkblad van 30 December 1950 er op wijst, dat het zijn gemeenteleden — uiteraard ook anderen — betaamt de Oud-en Nieuwjaarsdienst bij te wonen?
Dr Dijk voegt er vervolgens aan toe, dat de prediking zwaar en eenzijclig-bevindelijk is. Het woord „zwaar" is mij niet geheel duidelijk. Weliswaar neemt het element „bevinding" in de predicaties een ruime plaats in, doch naar mijn mening niet te ruim. De schriftuurlijke bevinding kan toch niet gemist worden? J.V.-ër verwijst in zijn beschouwingen naar een uitspraak te dezer zake van cle bekende ds H. Veldkamp. En toch schijnt men van bevindelijke prediking niet veel te moeten hebben. De, bekende gereformeerde predikant ds Chr. J. W. Teeuwen schrijft in zijn boekje: „De preek in discussie" telkenmale het woord „bevindelijk" tussen aanhalingstekens. Heeft hij misschien medelijden met die stumpers van voorwerpelijk-onderwerpelijke predikanten? Ds N. B. Knoppers te Hilversum geeft in het „Gereformeerd jongelingsblad" van 22 December 1950 een recensie over het boekje van de Haagse christelijke gereformeerde predikant ds M. W. Nieuwenhuyze, getiteld: „Gevouwen handen." Hij maakt dan de opmerking, dat dit boekje dient ter voorlichting van de jeugd der christelijke gereformeerde kerken, helwelk wordt afgeleid uit een enkele individualistische en tè bevindelijke opmerking. Maar de zonen en dochteren van de Afscheiding en de Doleantie wilden toch juist weer de bevindelijke prediking horen? Men greep terug naar de leer van 's mensen dood in de zonde en van zijn verlossing uit vrije genade door het bloed van Jezus Christus, in het geloof aanvaard. De preken der gereformeerde predikanten van thans vertonen ontegenzeggelijk vaak een zeer intellectualistische inslag. Ik mag hier wel spreken van eenzijdigintellectualistisch.
Doch dr Dijk is nog niet klaar. Volgens zijne hooggeleerde wordt de levensernst te sterk gezocht in uitwendige dingen, bv. in zwarte kleren en kousen, donkere hoeden (vooral voor domineesgezinnen), in het. nietzingen van gezangen of zelfs in de handhaving van de berijming van Datheen. Toen de schrijvers van het boek: „In een houten broek" een kerkdienst, geleid door wijlen ds G. H. Kersten, in de kerk aan de Boezemsingel te Rotterdam meemaakten, constateerden zij reeds, dat de kleding van de kerkgangers niet meer zo veel verschilde van die der leden van andere kerkgenootschappen. Ik wil dit niet zien als een complimentje. Integendeel, het moge een waarschuwing voor ons zijn.
Ten aanzien van de gezinnen meen ik te mogen opmerken, dat de gereformeerde kerken toch ook niet zover gekomen zijn als de Nederlands Hervormde Kerk, waar men vrij is een keuze te doen uit meer dan 29 gezangen. Doch het zijn niet alleen de gereformeerde gemeenten, waar geen gezangen weerklinken. Ook in de christelijke gereformeerde kerken geeft men geen gezangen op. Voorts is het officiële standpunt van de (hervormd) gereformeerde bond tot nog toe: geen gezangen zingen. Dit is in gereformeerde kringen trouwens wel bekend. Ds K. Fernhout heeft in de „Amsterdamse kerkbode" eens geschreven, dat het besluit tot uitbreiding van het aantal gezangen voor mannen als ds G. H. Kersten en prof. dr Hugo Visscher rijke stof zou geven om de gereformeerde kerken van allerlei te beschuldigen. Ben ik wel ingelicht, dan heeft de kerkeraad van de gereformeerde kerk ten Benschop in de loop van 1950 besloten geen gezangen meer te doen zingen tijdens de samenkomsten der gemeente, zulks naar aanleiding van opmerkingen, welke de gemeenteleden hebben gemaakt, toen de ambtsdragers huisbezoek aflegden. In sommige gereformeerde gemeenten
wordt nog de berijming van Datheen gehandhaafd. Volgens artikel 8 van de bepalingen inzake de openbaringvan de institutaire eenheid der kerken Christi, door de gereformeerde gemeenten onder 't kruis en de gereformeerde gemeenten ontstaan uit de actie van wijlen ds Ledeboer, moesten alle leraars en oefenaars, sprekende in gemeenten, die de psalmberijming van Datheen zingen, die berijming van de kansel aflezen. De leraars en oefenaars, die enig bezwaar hebben tegen de nieuwe berijming, en die tot nog toe niet zingen, zullen, optredende in de gemeenten, waar zij in gebruik is, geheel vrijgelaten worden van cle stoel de berijming Datheni af te geven. Dr A. Kuijper heeft, door de oude psalmberijming te verdedigen, zelfs enkele gemeenten van wijlen] ds Bakker op het eiland Tholen, de weg tot vereniging met de dolerenden geopend. Daarvoor was de oude berijming nog niet tè oud! -
Verder beklaagt dr Dijk zich er o.m. over, dat wij de gereformeerden onverbeterlijk licht en hemeltergend wereldgelijkvormig vinden. Als prof. Dijk beweert, dat de prediking bij ons zwaar is, dan mogen wij met het volste recht beweren, dat de gereformeerde prediking relatief genomen licht is. Prof. Dijk zal toch niet willen ontkennen, dat de wereldgelijkvormigheid buiten de gereformeerde kerkdeuren gebleven is? Billijkheidshalve moet ik toegeven, dat zij ook ten onzent binnengedrongen is. Het kan niet ontkend worden, dat we leven in een tijd van verwereldlijking der kerk. Prof. G. Wisse heeft in , , De Wekker" eens gewezen op verschillende verschijnselen van de wereldgelijkvormigheid, o.a. op de verslagen van de Olympische spelen in de christelijke dagbladen. Geweldige aandacht besteedt de christelijke pers aan die spelen, aldus prof. Wisse, maar voor verslagen van kerkelijke gebeurtenissen is vaak bijna geen plaats. De verwereldlijking van het christendom moet ons allen wel verontrusten.
Eindelijk zegt prof. Dijk: „Wij denken, wij arbeiden, wij leven, wij bidden, wij zingen anders: hun geestelijke taal is de onze niet en ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik in het Jeruzalem van die mentaliteit en van die spraak geheel een vreemde ben." Ons denken, arbeiden, leven, bidden, zingen en spreken moge dan verschillen, maar toch zullen al de kinderen Gods binnen de grenzen, door de Heere aangewezen, gaarne met elkaar spreken over de zielsgemeenschap met cle Heiland, over de verborgen omgang met God en over het verliezen van het leven in God.
Met bovenstaande weerlegging heb ik getracht aan te tonen, dat het antwoord op de vraag van ae gereformeerde jongeling: „Wat is het verschil tussen de gereformeerde gemeenten en ons? " toch wel heel wat bezijden de waarheid is.
Ten besluite moge ik de belangstellende lezer voor een beter en objectiever antwoord overigens verwijzen naar „Daniël" van 7 Mei 19-18, waarin cle heer Tj. Molenaar zijn mening ten beste geeft..
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1952
Daniel | 12 Pagina's