JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Hoe ontstaat een vers!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe ontstaat een vers!

5 minuten leestijd

Er is al meer opgemerkt, dat een gedicht niet hetzelfde is als een paar rijmende regels. Er zit meer aan vast: de vorm, de woordkeuze, het rhythme, de beeldspraak, het rijm, al deze dingen spreken een woordje mee. Het is niet zó, dat we een stuk papier nemen en dan maar gaan rijmen, de ene regel na de andere, zoals bv. Bilderdijk; neen, er is wel degelijk inspiratie nodig, willen er geen brokken gemaakt worden.

DE DICHTER ZEGT HET BLOEM ONS.

Wanneer een geïnspireerd dichter een vers schrijft, waarin vorm, beeldspraak, rhythme en rijm op een gelukkige wijze een eenheid vormen, dan is er een gedicht ontstaan, dat schoon is en ontroerd, dat van zijn waarde niets inboet, al gaan er ook eeuwen overheen.

Uit zulke gedichten blijven regels in het geheugen hangen, die bij verschillende gelegenheden naar voren komen. Een voorbeeld:

Wanneer op een zomerse avond, in het westen de avondster (Venus) slechts zichtbaar is, zullen bij hen, die het gedicht van Boutens kennen, ongetwijfeld de volgende regels als op de lippen komen:

, , En boven glansbelopen Westerse schans in groene hemelwei Straalt Venus' gouden aster open • Zo plotseling en puur "

Of, voor wie het gedicht van Kloos kent, deze regels:

„Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht - De witte bloesems in de scheemring — ziet, Hoe langs mijn venster nog met ras gerucht Een enkle, al te late vogel vliedt.

En ver, daarginds die zacht-gekleurde lucht Als perlemoer, waar iedre tint vervliet In teerheid Rust, o wonderbaar genucht, Want alles is bij dag zó innig niet."

De dichter J. C. Bloem heeft, behalve enkele dichtbundels, ook een essay (verhandeling) „Over Poëzie" geschreven. Hierin schrijft hij o.a. hoe een vers ontstaat. Het is voor hem onmogelijk, dit ook maar bij benadering duidelijk uiteen te zetten. De oorsprong is in eerste instantie geheim. Het ene gevoel wordt tot een gedicht, het andere niet.

Laten we Bloem zelf maar aan het woord. „De ene ervaring was niet minder hevig dan de andere, heviger misschien, nochtans kristalliseert alleen de laatste tot verzen en sterft de andere met alle ervaringen van alle dagen

Aan de aanvang van ieder gedicht staat, wat ik zo huiselijk mogelijk en inval zou willen noemen. Juister ware misschien: een opwelling, omdat men onder een inval eigenlijk iets moet verstaan wat van buiten komt, terwijl het gedicht „van binnen" komt. Ik gebruikte zoëven het woord „kristalliseren", dat mij voor het ontstaan van een gedicht nog steeds het gelukkigste lijkt, maar men moet dit natuurlijk niet zo verstaan, alsof het gedicht kant en klaar den dichter invalt of in hem opwelt. Dat zal slechts een hoogst enkele maal, en dan nog alleen met een zeer kort gedicht, het geval zijn.

Het begin van een gedicht is een fragment, een paar regels, soms nog minder, iets wat ik zou willen noemen het in zich voelen van enige regels, een innerlijke beweging, die nog geen eens aan woorden toe is. Soms zal in de definitieve lezing van het gedicht dat aanvankelijke fragment zelfs zijn geschrapt: het is er daarom niet in mindere mate de oorsprong van geweest. Dat fragment behoeft volstrekt niet het begin van het gedicht te zijn, het kan er evengoed een middenstuk of het eind van zijn. Het belangrijke is evenwel, dat in die inval meteen de vorm gegeven is, dat wat uitgesproken moet worden tegelijk uitgesproken is, m.a.w. zoals ik reeds schreef, vorm en inhoud tegelijk ontstaan, eikaars voorwaarden zijn, elkaar zijn.

Alleen de lengte van het gedicht is, behalve bij gedichten met een onontkoombare vorm, zoals bv. sonnetten, vooruit misschien niet geheel vaststaand, vooral bijv. bij een gedicht in blank verse, maar veel zal hiertoe toch niet worden bij-of afgedaan.

Is men nu zover, d.w.z. is de aanvang van het gedicht er, op papier of in het hoofd (het eerste zal wel het meeste voorkomen, omdat de memorie niet bij alle dichters even goed werkt, maar het laatste komt ook voor: ik meen te weten, dat bijv. Boutens zijn gedichten niet eerder opschrijft dan wanneer zij geheel af zijn; dit verklaart dan ook, waarom hij ze dadelijk op de schrijfmachine kan tikken), dan komt er een arbeid, die ik niet beter kan omschrijven dan met het woord: invullen.

Als men vooral wil bedenken, dat iedere vergelijking mank gaat, zou men kunnen denken aan het afmaken van een borduurwerk, zoals men dat in handwerkwinkels kan kopen, waarvan in een hoek het patroon reeds is aangegeven, dat de borduurster moet voltooien, met al dadelijk dit verschil, dat men zich van het borduurwerk-gedicht niet een op zich zelf voltooide hoek, maar hier en daar over het stramien gestrooide fragmenten als af moet denken. Bij dit voltooien van het gedicht treden wil en verstand veel meer op de voorgrond dan bij het begin, waaraan toch altijd iets ten grondslag ligt, waarvoor ik nog steeds geen betere naam w r eet dan: inspiratie."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1952

Daniel | 12 Pagina's

Hoe ontstaat een vers!

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1952

Daniel | 12 Pagina's