JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De bloemen des velds

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bloemen des velds

6 minuten leestijd

(Vervolg)

In de Lente. In dit jaargetijde is Palestina het mooiste. Daar zijn alle reizigers het over eens. Het beeld van het land wordt dan beheerst door de „bloemen des velds" en schier ontelbare soorten en kleuren, hoewel het rood overheersend is, bv. van de Anemoon. Dit plantje komt zo veel voor, dat men kan spreken over een purperen tapijt waar het groeit, bv. aan de Galilese Zee. Naast de Anemoon noemen we de Purperranonkel en Klaproos, die op braakliggende gronden de gehele oppervlakte aan het oog kan onttrekken. Zo veelvuldig komt de laatste als onkruid voor.

Veel bloemenpracht wordt veroorzaakt door de bolgewassen, bv. Narcissen en Cyclamen, Irissen en Tulpen, die allemaal in 't wild groeien. Heel gewoon is het in Kanaan tussen het groen der graanakkers Zwaardlelies en Hyacinten als „onkruid" aan te treffen. De bloemtrossen zijn natuurlijk minder sterk ontwikkeld dan bij onze gekweekte soorten.

Onze voorjaarsbloemen komen eveneens voor, bv. Boterbloem en Korenbloem, de laatste echter niet in korenakkers, maar tussen struiken. Verder het lastige onkruid Herik en Gele Mosterd. De laatste mag niet verward worden met Zwarte Mosterd, de plant uit de gelijkenis van het mosterdzaad. (Matth. 13.) De Heere Jezus noemt het zaad hiervan „de minste onder al de zaden." En daar is alle reden voor, want de doorsnede van één zaadkorreltje is 0.95—1, 6 mm en het gewicht 1 mg, dus het duizendste gedeelte van een gram. Het wordt echter „het meeste van de moeskruiden", nl. een hoogte van maximaal 3 m, terwijl de stengel gaat „verhouten", „en het wordt een boom."

Boven 4 psalmen, t.w. ps. 54, 60, 69 en 80 lezen we het opschrift „op Schoschannim." De litteratuur over dit woord is zeer uitgebreid. Sommigen menen, dat dit woord iets heeft uit te staan met Leliën en dus zou betekenen: Op de wijze van: De Leliën. Blijkbaar was dit een zeer bekend lied, op welke wijze deze psalmen dan gezongen moesten worden. In ieder geval heeft het woord, iets te maken met „de bloemen des velds."

Komt eind April, begin Mei de Oostenwind, de Sirocco, dan is de hele bloemenweelde met één slag vernietigd. Na enkele uren is alles weg. „Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer." (Ps. 103 : 16.)

In de zomer. Dan zijn de éénjarige bloemen dus dood. De overblijvende zijn bovengronds afgestorven en de ondergrondse wortel, knol of bol houdt een „zomerslaap, " zoals dergelijke planten bij ons een winterslaap houden.

Toch is alle bloei in de zomer lang niet verdwenen. Dit betreft planten, die sterker van bouw zijn dan de „bloemen des velds" en minder gevoelig zijn voor droogte. We noemen slechts Kamillen, Rode Anjer en veel vertegenwoordigers van Lipbloemigen en Ruwbladigen bv. de Munt, Hysop, Tijm, Andoom, Slangenkruids Ossetong en Smcerwortel enz. De laatsten kennen wij ook, maar dat zijn andere soorten.

De zomerbloei is van grote betekenis voor de bijen, die nu hun bergplaatsen weer kunnen vullen.

Van de struiken noemen we nog de Mastixstruik. Uit de stammetjes en twijgen van deze plant komt een kleverig hars te voorschijn, dat in de lucht hard wordt en als Mastix in de handel komt. De lichtgele korrels worden gekauwd en verspreiden in de mond een aangename geur. We hebben hier met een bijbelse plant te doen en de Statenvertalers hebben het woord „balsem" gebruikt voor Mastix, bv. Juda en het land Israëls waren uwe kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honig en olie en balsem, dreven zij onderlingen handel met u." (Ezech. 27 : 17). In de Lutherbijbel staat hier voor balsem: astix.

Merkwaardig is dat veel stengels van zomerbloemen

en - planten „verhouten." Dit is in zo verre van belang, dat deze stengels dan brandstof leveren, die in een houtarm land als Palestina goed van pas komt.

In de herfst. Zeer opvallend is in deze tijd het opschieten van de Zeeui, waarvan de bloemstengel 1, 25 m hoog kan worden. De bol van deze plant werd in de oudheid gegeten en van Pythagoras is het bekend, dat hij z'n hoge leeftijd toeschreef aan het nuttigen van dit gewas. Nu nog wordt de Zeeuibol aangewend als middel tegen typhus en waterzucht.

Van ouds was de gewoonte, de akkers af te bakenen met stenen. Waren er echter niet voldoende stenen aanwezig, zoals in de kuststreken, dan gebruikte men voor dat doel de Zeeui. Deze werd dan geplant langs de randen van de akker. Als overblijvende plant met een sterk ontwikkeld wortelstelsel zit hij vast in de bodem. Door de hoge bloemstengel en grote bladeren is hij bovendien in ploeg-en zaaitijd gemakkelijk te herkennen, dus heel geschikt als vervanger voor de grensstenen. De Talmoed vermeldt, dat Jozua dit gebruik reeds zou ingevoerd hebben.

Andere veel voorkomende herfstplanten zijn: Affodil en Herfsttijloos, de ook bij ons bekende droogbloeier.

In Je winter: We noemen slechts: Cyclamen, Zeeui, Crocus en Goudsbloem.

Tenslotte wijzen we nog op de Mandragora. Deze plant behoort tot de familie der Nachtschaden, waar ook onze Aardappel en Pitterzoet toe behoren. De vrucht van de Mandragora bevat, evenals de vruchten van de meeste Nachtschaden., alkaloïden, die meer of minder bedwelmend werken. In Gen. 30 : 14 lezen we, dat Ruben in de dagen van de tarweoogst in het veld ging en „dudaïm" vond. Zoals door nagenoeg alle schrijvers wordt aangenomen, zijn dat vruchten van de Mandragora geweest.

De kanttekennaren tekenen bij dit woord aan. dat hun de betekenis onbekend is. In de loop der tijden is over dit woord dan ook een omvangrijke, litteratuur verschenen. De vruchten zouden door hun geur een geheime liefdeskracht hebben. Dit bijgeloof heeft zeer lang standgehouden en is in het Oosten nog niet geheel verdwenen (de Bruyel.) Verder zullen we er ons maar niet in verdiepen'.

We hebben een zeer beknopt overzicht gegeven over „de bloemen des velds", omdat wij zo het idee hebben, dat verscheidene lezers (essen) zich maar matig voor deze stof interesseren. Volledigheidshalve meenden we toch het te moeten behandelen.

Gelijk het gras is ons kortstondig leven, Gelijk een bloem, die op het veld verheven, Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer. Wanneer de wind zich over 't land laat horen, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer. (Ps. 103 : 8.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1952

Daniel | 12 Pagina's

De bloemen des velds

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1952

Daniel | 12 Pagina's