ZIJNER HANDEN WERK
De bloemen des velds
Palestina was en is een land met, speciaal in het voorjaar, een schat van bloemen, zoals in weinig andere landen gevonden worden. Tal van planten, die wij met moeite en zorg kweken, groeien hier in het wild. In de lente mogen ons bij een beschouwing van het Israëlitische landschap de prachtig groene akkers opvallen, waartussen helderbruine tinten van pas geploegde stroken, afgewisseld door het „braakland", waar het onkruid tiert, rondom de dorpen de verschillende boomgaarden liggen, maar het beeld van het land wordt toch beheerst door „de bloemen des velds." Eigenaardig is, dat de kleur rood overheersend is, zoals bij ons in het voorjaar geel. Nu is het zo opvallend, dat het O.T. zo weinig aandacht besteedt aan deze bloemenweelde. Slechts twee keer komen we de uitdrukking „bloem des velds" tegen, nl. in Jes. 40 : 6: Een stem zegt: oept! En hij zegt: at zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds" en Ps. i03 : 15: De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij." De vergankelijkheid van een mensenleven wordt hierin aangegeven. In beide teksten ligt ten grondslag de natuurbeschouwing in het O.T., die de natuur ziet als dieneiicfe de verheerlijking van de Schepper, dan wel als dienende de mens tot nut of voorbeeld, soms met inschakeling van het dier. Zie Ps. 104. (de Bruyel.)
In het N.T. is het Jezus, Die de schoonheid der bloemen op de juiste waarde schat, als Hij zegt: „En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds (— bloemen des velds), hoe zij wassen; zij
arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat ook Salomo in al zijn heerlijkheid, niet is.bekleed geweest gelijk een van deze (Matth. 6 : 28 en 29). De Heere Jezus ziet in het geschapene de heerlijkheid des Vaders uitgedrukt.
DE BREM
De Bremstruik, in de Bijbel meestal Jeneverboom genoemd, is een echte woestijnplant, wat blijkt uit het ontbreken van bladeren, waardoor de verdamping sterk wordt beperkt, wat bij een woestijnplant, die in uiterst droge grond groeit, wel erg noodzakelijk is om zo weinig mogelijk vocht te verliezen. Bij talrijke woestijnplanten doet zich dit verschijnsel voor. De takken bliiven echter geheel groen en zijn buitengewoon sterk vertakt. (Dit om voldoende zetmeel te kunnen vormen, doch genoeg hierover). Daardoor geeft de plant toch nog schaduw, waar men in rusten kan. De Arabieren doen dat nu nog en zo deed dat ook eenmaal de levensmoede Elia op zijn vlucht naar Izebel: Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis en kwam en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel sterve en zeide: et is genoeg; neem nu, Heere! mijn ziel; want ik ben niet beter dan mijn vaderen." (1 Kon. 19 : 4.) Van deze struik komen de „jeneverkolen." Door de droge grond heeft de Brem nl. een sterk vertakt en ver uitgegroeid wortelstelsel, dat dicht bij de stam dik en knoestig is. Deze wortels worden uitgegraven en tot houtskool verwerkt, die van uitnemende kwaliteit is (jeneverkolen.) Nog steeds wordt daar handel in gedreven. Van ouds werden de smidsvuren voor het harden van staal gestookt met jeneverkolen.
Ook worden deze wortels gegeten: Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren." (Job 30 : 4). Deze wortels zijn echter zeer bitter, maar in de dikke bovenste delen zit vrij veel zetmeel als reservevoedsel voor de plant. De armsten der armen, de ballingen aten ze echter wel in de uiterste nood. En daarmee hebben we in dit hoofdstuk te doen, zoals uit de eerste tien verzen blijkt.
Brandt een doornenvuur wel fel, het is ook gauw uitgeblust, zoals we in het vorige artikel zagen. De brem is nu een plant, die goed brandt en lang nagloeit. Wij hebben zelfs eens gelezen, dat het gebeurd is, dat de gloeiende kolen van het taaie bremhout kunnen gloeien van Loofhuttenfeest tot Pasen. Deze mededeling willen we echter niet zonder meer tot de onze maken.
Het smeulende bremhout kan echter zeer gevaarlijk zijn, immers aan de buitenkant lijkt het uitgedoofd en is bedekt met as, terwijl zich van binnen de verterende gloed nog bevindt. Even gevaarlijk is de lasteraar met de bedriegelijke tong: O Heere, red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong. Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen? Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen." (Ps. 120 : 2—4). Er staat dan ook een noodzakelijke, maar beschamende bede in Ps. 141.
Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen; Behoed de deuren van mijn mond, Opdat ik mij, tot genen stond, Iets onbedachtzaams laat ontglippen.
Opmerking: en moet de Bremstruik niet verwarren met de Braamstruik. De laatste schijnt wel een onverwoestbaar leven te hebben. Als alles verdroogd en verwelkt is in Augustus, September en October, bloeit hij volop met licht-lilabloemen. Deze Braamstruik is de plant, die bij de Sinaï bi-andde en niet verteerde: En de Engel des Heeren verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag en ziet, de braambos brandde in het vuur, en de braambos werd niet verteerd." (Ex. 3 : 2.)
DE HYSOP
Waar de brem groeit, kunnen we ook de hysop verwachten, dus op droge, steenachtige plaatsen. Het is een forse plant van ongeveer een meter hoogte, met rood-witte bloemen, die een pittige geur verspreiden. Stengel en takken zijn dik behaard, waardoor ze bij uitstek geschikt zijn om er mee te besprengen. Dat gebruik treffen we dan ook in de Bijbel aan: Neem dan een bundelken hysop en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis tot aan de morgen." (Ex. 12 : 22.)
Ook werd hysop gebruikt bij de reiniging van wie door een lijk onrein was geworden: En een rein man zal hysop nemen en in dat water dopen en sprengen het aan die tent en op al het gereedschap en aan de zielen, die daar geweest zijn; insgelijks aan degene, die een gebeente of een verslagene of een dode of een graf aangeroerd heeft." (Num. 19 : 18.)
Evenzo bij de reinverklaring van genezen melaatsen: Die levende vogel zal hij nemen en het cederhout en het scharlaken en de hysop; en zal die en de levende vogel dopen in het bloed des vogels, die over het levende water geslacht is." (Lev. 14 : 6.)
Voorts bij de reiniging der huizen, waarin uitslag was: Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels en met dat levend water en met de levende vogel en met dat cederenhout en met de hysop en met scharlaken." (Lev. 14 : 52.)
Tenslotte bad David: Ontzodig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw." (Ps. 51 : 9.)
Luther schrijft hierbij: „Het is alsof David zeggen wilde: Mozes en de priesters der wet besprenkelen met hysop, die gedoopt was in het bloed of in levend water, om de reiniging te verkrijgen. Maar dat is slechts een uiterlijke schijn en een gelijkenis, niet de waarheid zelf, die daardoor wordt aangeduid, en die Gij lief hebt. Besprenkelt mij daarom met het ware bloed van Jezus Christus. Daardoor toch word ik in waarheid en in het innerlijke van mijn wezen rein."
Wat voordeel zal 't bedrog u baren, Vermetel rot van lasteraren? Wat voordeel zal u in dit leven Uw bitse tong, uw boosheid geven? Gij haalt op u, o leugensprekers, De pijlen enes sterken wrekers, En een jeneverkolengloed, Waardoor gij haast verbranden moet. (Ps. 120 : 2.)
W. VAN DIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1952
Daniel | 8 Pagina's