JOHN G. PATON
IN GODS NABIJHEID.
Een zeer grote steun bij het werk van Paton was een oude onderwijzer, die Abraham werd genoemd. Eerst was deze inlander menseneter geweest, maar door de genade van God was hij nu een nieuw schepsel geworden. Waar maar te helpen was, hielp Abraham, bijgestaan door zijn vrouw. En dat deed hij niet alleen uit mensenlievendheid, maar in de eerste plaats uit liefde tot Christus.
En Paton had hulp nodig! De Tannezen waren nu eenmaal niet te vertrouwen. Vandaag riepen ze „hosanna" en morgen klonk het „kruis hem." Paton kwam er wel achter, wat het was, de voetstappen van zijn Meester te volgen.
Onophoudelijk door koorts geplaagd, besloot de zendeling op een heuvel te gaan wonen, ruim driehonderd voet hoog. Bij het sjouwen aan palen en balken, werd Paton zo ziek en gevoelde hij zich zo zwak, dat hij een gevoel had, dat het met hem zou aflopen. Abraham en zijn vrouw deden alles wat maar gedaan kon worden. Zij droegen de zendeling naar de heuveltop, legden hem op een bed van kokosbladeren, maakten een bladerenscherm boven het bed en gaven de uitgeputte man de melk uit kokosnoten te drinken, terwijl het voedsel uit licht-verteerbaar inlands eten bestond.
In geen dagen keken cle Tannezen naar de zendeling om. Ze dachten dat hij bezweken was. Zodoende werden Paton en zijn helpers met rust gelaten.
Zeer spoedig kreeg de zendeling zijn krachten weer terug en begon hij weer aan zijn gewone werkzaamheden. Er was genoeg te doen. Strijd was er weer uitgebroken tussen de inlanders onderling. Beide partijen trachtte Paton tot vrede te brengen, maar o, wat was dat een moeilijke opdracht en hoe groot was de vijr andschap die toen openbaar kwam,
Bij één der verzoeningsvergaderingen sprak een opperhoofd, dat in Sydney had gewoond en de Engelse taal machtig was:
„Missi, onze vaders dienden en aanbaden hem, die gij de duivel noemt, en wij zijn besloten hetzelfde te doen, want wij keuren het gedrag van onze vaders goed. Missi Turner kwam hier en trachtte ons van onze godsdienst af te brengen; maar onze vaders bevochten hem en hij verliet ons. Zij vochten ook tegen Peta, de Samoaanse onderwijzer, en hij vluchtte. Zij bevochten en doodden ook enige Samoaanse onderwijzers aan de andere zijde van de haven en de overigen vluchtten. Wij doodden de laatste vreemdeling die op Tanna woonde, voordat gij hier kwaamt. Wij vermoordden de onderwijzers van Aneitium en verbrandden hun huizen. Na elk dezer daden ging het op Tanna goed. Wij leefden allen gelijk onze vaders, en ziekte en dood verlieten ons. En nu is ons volk besloten om ook u te doden, als ge dit eiland niet verlaat; want gij wilt onze gewoonten verandei^en en onze godsdienst uitroeien. Wij haten de dienst van Jehovah, want hij is oorzaak van al onze ziekten en onheilen en veroorzaakt alles waar wij behagen in vinden.
De mensen van Sydney behoren tot uw land; zij weten evengoed als gij wat goed en wat kwaad is, en wij hebben ze zelf op Zondag zien vissen, koken, werken en plezier maken, evenals op andere dagen. Wij hebben de mensen van Sydney alles zien doen, wat gij slecht noemt, maar waar wij van houden. Gij zijt alleen, zij zijn velen, dus hebben zij gelijk. Uw godsdienst is niets dan bedrog."
Wat moest Paton hierop antwoorden? Het was maar al te waar, dat velen in Sydney van de Zondag een zondedag maakten. Hij gaf dat dan ook volkomen toe, maar zei ook, dat de dienstknechten van Jehovah die zondige daden niet deden. Verder sprak hij over de zegeningen in de landen waar Jehovah gediend werd en waar de inwoners luisterden naar het Woord van de ware God.
Zij werden nu stil en lieten hun boze moordplannen varen. Helaas, het was maar voor een ogenblik. Dat kwam al spoedig uit.
Enkele dagen later probeerde een man met een bijl Paton van het leven te beroven. Gelukkig werd de slag door middel van een ander afgewend. De dag daarop kwam een opperhoofd met een geladen geweer op hem af.
Op een andere tijd werd weer bij hem ingebroken.
Geen ogenblik was Paton zeker van zijn leven, maar al deze wederwaardigheden hielden de zendeling dicht bij de Heere. De woorden van Christus kregen diepe betekenis: „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld."
Paton schrijft hierover:
„Het zou mij niet verschrikt hebben, als ik Hem, evenals Stefanus, opeens had gezien, uit cïe hemel Zijner heerlijkheid in liefde op mij neerblikkend. Ja, ik gevoelde de liefelijke, nabijheid van mijn gezegende Heere juist het meest in die vreselijke ogenblikken, als geweer, knots of speer dreigend tegen mij waren opgeheven. Dit vervulde mijn hart met stille vrede, en onder biddend opzien tot mijn trouwe Heiland, gaf ik alles in Zijn hand, en gevoelde ik mij onsterfelijk tot mijn taak volbracht was."
M. NIJSSE.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1952
Daniel | 8 Pagina's