VOOR DE ZIEKEN
D eze week wil ik het eens hebben tot de zieken. Want er zullen ongetwijfeld zieken onder onze jongens en meisjes zijn, zieken, die ook „Daniël" lezen, béter en misschien nog meer met aandacht dan vele gezonden. En ze zullen wel eens denken: voor ons, voor de zieken staat er nooit eens iets aparts in! Zij krijgen bij die gedachte mogelijk tevens het gevoel, dat ze zo helemaal uitgeschakeld zijn, uitgeschakeld uit het maatschappelijke leven en tevens uit het verenigings-leven. Vooral zij, die langdurig ziek zijn, die dag in dag uit de gezonden naar hun werk zien trekken, en op de gezette uren naar de vereniging gaan, terwijl zij aldoor maar moeten liggen, soms met veel pijn en smart. Daarom wil ik deze week eens een woord tot hen richten.
Rondkijker kijkt overal rond, ook wel eens bij de zieken thuis, in de ziekenhuizen en de sanatoria. En dan wordt hij er wel eens klein onder, wat een onuitsprekelijk voorrecht het is, gezond te zijn, te mogen in-en uitgaan en zonder stoornis zijn werk te kunnen verrichten. Beseffen we dat maar altijd, want we zijn toch niet beter dan al de anderen, we hebben nergens recht op. Wat hebben wij, dat wij niet hebben ontvangen ? Het zou ons in meer afhankelijkheid doen leven van Hem, die de Gever is van alle goed en die nog onderscheid met ons maakt, waar geen onderscheid is.
Uw rondkijker verneemt bij zulke bezoeken soms de alleenspraken van de zieken: „hoe lang sukkel ik nu al? Wat is er toch weinig uitzicht en weinig toekomst zou ik nog wel ooit beter worden? Verstaanbare overdenkingen. Een wonder maar als hij of zij voor op-en tegenstand bewaard wordt. We liggen er immers zo bloot voor, want we willen ook wel vooruit, ook wel gezond zijn als de anderen. Oorspronkelijk zijn we voor het lijden niet geschapen. Daarom is het spreekwoord er: „Waren er geen zonden, er waren geen wonden!"
En nu is het o zo gauw en gemakkelijk gezegd, je moet maar op den Heere vertrouwen, of: het aan de Heere overgeven — maar uit en van zichzelf kan de mens dat nooit. Daar is genade toe nodig en — als je iets overgeeft, moet het overgenomen worden. Een overgegeven zaak, ook bij ziekte en andere ellende, is niet meer zijn zaak, maar een zaak van een Ander. Dan wordt men er eenswillend mee gemaakt en kan men wel ziek zijn. Dan kan het zó worden, dat men er niets af wil hebben.
RONDKIJK
Ik wil hier een kort historisch verhaal inlassen, van een meisje, dat volop de wereld diende, aan sport en spel deed met alle levenslust die in haar was. Toch vond ze er niet de 'volle bevrediging in. En toen zij eens in de kerk zat, gevoelde ze, hoe gelukkig die prediker was, daar die iets bezat, wat zij miste. Het werd een vragen en roepen, omdat ook te mogen leren kennen en de paden der zonde werden de rug toegekeerd. Zeer kort daarop werd ze ernstig ziek. En toen de dominé haar bezocht en vroeg hoe ze het maak' te, antwoordde ze tot zijn verwondering, dat ze blij was, dat ze ziek was! Ze was zo bang geworden van de zonde en zo bevreesd dat ze het oude pad weer zou opgaan dat ze zich verheugde daartoe nu geen gelegenheid te hebben!
De Heere wil ons jonge mensen, wel eens alleen hebben en daartoe werpt hij ons wel eens op het ziekbed. Het is een teken, dat de Heere nog bemoeienissen met ons maken wil. Hij roept in ons ziekzijn dat we ons tot Hem zouden wenden, niet alleen tot ons lichamelijk, maar vooral tot ons geestelijk welzijn, tot boete en berouw en tot onze bekering.
Er kunnen naar onze gedachten soms zulke harde slagen op ons neerkomen, dat we denken, dat al het kwaad ons beschoren is. En dan vaak, dat we onbegrepen zijn in onze smart. Maar gelukkig hij of zij, die, het de catecheet uit Zondag 9 kan nazeggen, dat de Heere nu al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren wil, dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vade^r! Die kunnen het ook beamen wat in Zondag 10 staat, dat gezondheid en krankheid niet bij geval maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomt. Gezond zijn of ziek zijn, (het is dan niet om het even, want gezond zijn is een onschatbaar voorrecht) maar het is beide goed. In de onwaardigheid van zichzelf wordt dan beleefd, dat we ons zonder Zijn wil niet roeren noch bewegen kunnen.
Terwijl ik dit schrijf, heb ik het besef, dat ik geen echte ziekentrooster ben. Het. is zo dikwijls moeilijk, we kunnen erg meeleven, maar troost, echte troost kunnen wij mensen niet brengen. Dat kan in de ware zin des woords alleen de Heere zelf, Die kan méér en béter troosten, dan zelfs een moeder troost. En waar Hij wat komt te ontnemen, in dit geval de gezondheid, daar w'eet Hij meer te geven, omdat Hij het gemis kan goed maken met Zichzelf. Ik wens onze zieken maar toe, dat dit hen gegeven wordt.
We leven nu in de lijdensweken. Kort geleden was ik nog in een ziekenkamer, waar een vrouw in ernstig lijden was. De pijnen waren haar schier ondragelijk. Maar zij werd er bij bepaald, hoe nu de Heere Jezus Christus in Zijn heilig lijden zo ontzettend veel meer had geleden, gegeseld, de doornenkroon op het hoofd gedrukt en daarenboven het allerzwaarste: de vloek en de zonde van Zijn volk op Zich genomen en ook voor haar. Wat was haar lijden daarbij vergeleken? Dan mocht ze daarin slechts Zijn voetstappen drukken.
„God van God verlaten" — riep Luther eens uit — het onbegrijpbare, wie kan dat verstaan? En dat voor zulken die waardig zijn, eeuwig van God verstoten te zullen worden. Daarbij bepaald, dan kan men wel ziek zijn. Dan kan de ziekenkamer bij alle ellende overvloeien van lof en dank. En dan liggen er bij zulke zieken lessen voor de gezonden!
RONDKIJKER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1952
Daniel | 8 Pagina's