Lijdensoverdenking
„Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijne weg; doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen." (Jesaja 53 : 6)
In de prediking moet steeds Christus' kruis in het centrum staan. Op Golgotha is het pleit beslecht. Daar werd het zoenoffer gebracht en de schuld Zijn volks betaald.
Toch wordt jaarlijks de gemeente door de prediking bij het lijden van Sions betalende Borg bepaald en geleid langs Jezus' lijdensweg. Deze zware lijdensweg werd door onze gruwelijke zonden noodzakelijk. Door de zonden hebben wij Gods toorn opgewekt. Maar — eeuwig gadeloos wonder van Gods ontfermende zondaarsliefde tot Zijn uitverkorenen — Hij heeft voor hun zonden betaald en ook het recht ten leven verworven door Zijn gezegende opstanding.
Twee zaken kunnen van wege des mensen ellendestaat niet meer gebeuren, nl. le de zaligheid verdienen en 2e die verdiende zaligheid zich deelachtig maken. Niet, dat zulks des mensen verantwoordelijkheid wegneemt! O neen, want de mens is immers zó geschapen, dat hij dat doen kon; maar hij heeft zichzelven door vrij-en moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd.
In de staat der rechtheid was er geen plaats voor en geen behoefte aan een Borg en Middelaar, maar dooide val is de mens een vijand van God geworden.
Daarom is het lijden van Christus zo ondoorgrondelijk, daar Hij & ulks niet deed voor vrienden, maar voor vijanden.
Laten wij vooral in de lijdensweken letten op het BORGTOCHTELIJKE van Zijn lijden, opdat het voor ons wat méér dan enkel historie zij. Ook behoort het ons voor des Heeren aangezicht, tot zelfonderzoek te leiden. Het is toch naar de Schrift, dat, wat het zaligmakende betreft, Jezus niet voor alle mensen geleden heeft, maar alleen voor hen, die Hij als een bruid uit de hand Zijns Vaders heeft ontvangen. (Joh. 17 : 9.)
Dit wordt ons zeer duidelijk verklaard in het Schriftgedeelte, dat door ons overdacht wordt. Immers Jesaja, de evangelist uit het Oude Testament, schrijft in dit troostboek voor al Gods kinderen. Hij gebruikt ter verduidelijking het beeld van een schaap. Hij zegt niet:
„WIJ DWALEN allen als schapen, " want dat doet ieder mens van nature, maar hij schrijft: „WIJ DWAAL-DEN." Dat staat in de verleden tijd.
Mijn lezer, hieruit blijkt duidelijk, dat er toch in ons leven het genadewonder moet geschied zijn, om door die goede Herder opgezocht te zijn, want nooit zal een schaap uit zichzelf tot de herder wederkeren. Kent ge daar iets van in uw leven? Zonder dat werk deigenade, inwendig geleerd, kunnen wij geen deel krijgen aan het borgtochtelijk werk van Christus.
Zij, die staande gehouden zijn op hun zondeweg, komen tot öe gemeenschappelijke belijdenis: „Wij dwaalden allen als schapen." Dat bekennen en betreuren zij. Daarover beleven zij een innige droefheid en beseffen, dat zij alle rechten om met die God verzoend te worden, verloren hebben. Zij, die gedwaald hebben, leren tesamen de drie stukken kennen, zoals U die lezen kunt in Psalm 130, en ook in het kostelijk leerboek der Heidelbergse Catechismus.
Vergun mij dit te mogen opmerken dat, wat ook in de wereld verandert of bij welk kerkgenootschap men ook behoort, bovengenoemde belijdenis niet alleen voorvverpelijk, maar ook onderwerpelijk beleden en beleefd zal moeten worden. Doch, als het met God verzoend te worden door ons zeiven onmogelijk geworden is, dan wordt er een woord in onze tekst genoemd, dat hun bewondering zal opwekken en hun hoop verlevendigen.
Doch hier mogen wij wel zeggen: „Doe de schoenen 7 an uw voeten, want de plaats waar gij op staat is reilig land."
Inplaats dat het zwaard van Gods wraak het schaap - reft, wat rechtvaardig zou zijn, treft het nu DE HER-DER. Zoals de golven op de kusten aanrollen in hun onberekenbare kracht, alzo doet God de Vader de ongerechtigheden Zijner uitverkorenen op die dierbare Borg an Middelaar aanlopen. Immers er moest aan Gods echt voldaan worden, en dat had Jezus, als Middelaar ter verzoening, op Zich genomen. Al de schuldvordeingen, die de Vader op de uitverkorenen had, heeft j'ezus overgenomen, om die door voldoening en verzoeling te betalen. Vandaar, als dezelve geëist werd, werd Hij verdrukt. Hij werd in de plaats van Zijn volk ter dachting geleid. In Zijn volkomen gewilligheid heeft : -ïij Zijn mond niet opengedaan, ja, Hij was als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders.
Hoe groot is de liefde van Hem, Die Zich gewillig overgaf, opdat aan het recht Gods voldaan zou worden /oor al Zijn gunstgenoten.
Nu is die dierbare Jezus geen helpende of aanvullen-Ie, maar een volkomen Zaligmaker voor al de Zijnen.
Dat Evangelie, die blijde boodschap, dat er verzoeing met God mogelijk is, alleen door en in die Borgochtelijke weg, mogen, ja moeten Gods knechten preliken. Het welnemend aanbod van genade moet van hun ippen gehoord worden. Neen, dat kan nooit te ruim en
te ernstig gepreikt worden. Maar laten zij tegelijk doen horen, dat niet DE GENADE algemeen is, want die is persoonlijk. Niet de genade, maar het AANBOD VAN GENADE is algemeen.
Noch door veronderstelling, noch omdat wij leven onder de bediening van het verbond der genade, waarvan wij een teken op onze voorhoofden dragen, kunnen wij een grond van onze zaligheid maken, want dan bouwen wij op een zandgrond. Alleen dan, wanneer wij door wedergeboorte en door het zaligmakend geloof met Christus verenigd worden, ja, dan alleen zullen wij Zijn weldaden deelachtig worden.
Hoe groot echter is het voorrecht, dat wij nog leven in die kostelijke genade-en vindenstijd. Daar wij geen stokken en blokken zijn, maar redelijke schepselen, mogen wij Hem om die genade smeken, die door Christus verdiend en verworven is. Laten wij niet werken met de besluiten Gods, maar met Zijn geopenbaarde wil, die ons in Zijn Woord beschreven is.
Dat daar de lijdenspredikatie, als middel in de hand des Heeren, toe moge dienen. En dat 's Heeren kinderen meer en meer verdiept mogen worden in Jezus' dierbaar borgwerk, opdat zij alles schade en drek mogen achten, om de uitnemendheid der kennis, die in Christus is, te mogen bekomen. En dat zij het ook in de oefeningen des geloofs met Johannes de Doper mogen beleven, toen hij getuigde: , , Hij moet wassen en ik minder worden."
Dat zij dan die levens-en stervenstrocst, waarvan de eerste Zondag der Heidelberger Catechismus spreekt, in alle strijd en droefenis, mogen genieten.
Ds A. VERHAGEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1952
Daniel | 8 Pagina's