Doornen en distelen
Doornen en distelen
Palestina is een land waar doornen en distels de wegen omzomen en zich uitbreiden over de velden. Het Bekerkruid bv. kan zo algemeen voorkomen, dat het landschapsbeeld er geheel door beheerst wordt, zoals bij ons de heide. Zo kan cle vlakte van Saron een eindeloze distelzee zijn.
Al cle verschillende distels opnoemen en beschrijven, heeft weinig zin. Enkele typische eigenaardigheden zullen we slechts meedelen.
In de herfst liggen overal de verdorde distels op de akkers, bv. de Wilde Saffloer. Langs wegen en paden staan manshoge vormen, waarbij er zijn, die 2 m hoog kunnen worden en bladeren hebben van 40 cm. Sommige van die grote vormen sterven af zonder te verwelken. Als een spooksel blijven deze distels rechtop in het landschap staan met uitgespreide bladeren, zonder ineen te zinken. Vlak boven de grond schrompelt tenslotte de stengel ineen, de wind maakt hem los en dan ziet men spoedig de gehele plant over de vlakte rollen. Dit brengt ons er vanzelf toe te gaan spreken over de
ROLPLANTEN
Die rollende planten is een zeer merkwaardig verschijnsel in de herfst. We kunnen ze zien in de vlakke, onbebouwde streken. Wanneer de wind opsteekt en wervelend over de vlakte giert, stof en stoppels van de vergleden zomer opjagend, ziet men grote ballen, die al rollend met grote snelheid zich over de velden voortbewegen of hoog de lucht ingejaagd worden. Vooral in het Over-Jordaanse ziet men ze bij honderden gaan. Do doorsnede is soms 80 cm.
Die ballen zijn dan distels, die op de bovenomschreven wijze van hun wortelstelsel worden losgemaakt, bv. een algemeen voorkomende distelsoort Gundelia Tournefortii, al zijn er ook nog andere soorten distels, die tot de „steppenlopers" behoren.
Zo'n voortrollende distel neemt aan zijn stekels afgevallen bladeren, strootjes, pluisjes enz. mee, of ook wel twee distels raken elkaar en gezamenlijk jagen ze verder, doordat de doornen elkaar vasthouden. Zo worden de ballen steeds groter en volgens ooggetuigen moet het een fantastisch gezicht zijn, de rolplanten in groten getale over de vlakte te zien voorthollen. Waar de bodem een inzinking vertoont, hopen ze zich op en leveren daar de brandstof voor een gemakkelijk brandend, hevig knetterend, maar weinig hitte gevend vuur, omdat het zo kort brandt. , , Want gelijk het geluid der doornen onder een pot, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid." (Pred. 7:6.)
Een dankbaar gebruik maakt men tegenwoordig van de voortrollende ballen bij een moderne jachtmethode in het Over-Jordaanse.
In deze streek komen nog vrij veel gazellen voor, tot de antilopen behorende dieren (antilope dorcas, ) Deze dieren zijn zo aan de rollende kogels gewend, dat ze zich er niet meer door laten verschrikken en van deze eigenschap wordt nu een listig gebruik gemaakt. •De jager gebruikt voor deze manier van jagen een Jachtluipaard als jachthond. Dit dier is een roofdier, dat het midden houdt tussen Katachtigen en Hondachtigen. Zijn kleine kop, lange poten en slank lichaam geven hem veel overeenkomst met de jachthond, terwijl hij kan spinnen als een kat, alleen wat luider. Als een Luipaard heeft hij niet ringvormige vlekken. Nu nog komt hij in 't wild voor in Palestina in het „Zuiderland", bij de Tabor, in de bergen van Galilea en in Gilead en Bazan.
Dit Jachtluipaard wordt nu zo afgericht, dat hij het lange lichaam als een bal ineenrolt en zich dan over de grond kan laten voortrollen. En daar zijn huidtekening veel overeenkomst vertoond met de geelachtig gevlekte ballen, is een voortrollend Jachtluipaard gelijk aan een voortrollende rolplant.
De jager trekt er nu, hoog op zijn kameel gezeten, op uit met zijn afgericht Jachtluipaard bij zich. Zijn ergens gazellen aan het spelen of weiden, dat voert het Jachtluipaard zijn kunststuk uit. Langzaam rolt hij over de bodem voort. Is hij zo tot vlak bij de gazellen gekomen, dan verrast hij ze door een sprong en slaat er met een krachtige slag een bewusteloos. Dan gaat hij op zoek naar de volgende proöi'. 's Avonds keert de jager zonder er veel moeite voor gedaan te hebben met een rijke buit huiswaart, dank zij de rolplanten.
Het verschijnsel van rollende planten en ballen komt ook in de Bijbel voor: .Mijn Gocl! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind." (Ps. 83 : 14.) In de grondtaal staat hier voor wervel een woord, dat rollen wentelen betekent. De dichter moet het beeld van de rolplanten voor ogen hebben gestaan, toen hij dit vers neerschreef, als wil hij zijn vijanden voorgedreven zien door Gods kracht, zoals de herfstwind het kaf en de stoppels met daartussen de rollende plantenballen voortjaagt, zonder dat deze weerstand kunnen bieden. Hetzelfde woord treffen we aan in Jes. 5 : 28: Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind."
Jesaja ziet in het 17e hoofdstuk van zijn boek de Assyrische wereldmacht door God bedreigd en opgejaagd: De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van de wind, en gelijk een kloot (= bal) van de wervelwind." (Jes. 17 : 13.)
De Arabische bevolking van Gilead en Bazan gebruikt nog spreekwoorden en zegswijzen, aan het verschijnsel van rolplanten ontleend. Als ze zo'n rollende, bal zien gaan, vragen ze vaak schertsend: „Akkoeb, Waar ga je vandaag naar toe? " „Waarheen de wind wil, " waaruit de onmacht blijkt.
Die ze niet veel goeds toewensen, voegen zij toe: „Dat ge als de 'akkoeb door de wind gepakt moge worden, tot ge aan de doornen blijft hangen of in een afgrond begraven wordt."
* * * Keren we na dit uitstapje tot de doornen en distelen terug.
Wanneer het voorjaar aanbreekt, wedijveren ook deze planten in bloemenrijkdom met de andere „bloemen des velds, " zoals de ook bij ons bekende „Mariadistel en Kogeldistel. Verder het al eerder genoemde doornige Bekerkruid met zijn liggende, met de takken dooreengestrengelde planten. Misschien heeft Nahum deze planten wel gezien, toen hij van de Assyriërs zei: Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteert, als een dorre stoppel." (Nahum 1 : 10.)
Zeer algemeen is ook de Boksdoorn, die zeer snel groeit en dan ware hagen en doornbossen vormt. In Gen. 50 : 10 lezen we: Toen zij nu aan het plein van de doornbos kwamen, dat aan gene zijde der Jordaan
is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen." Blijkens de grondtaal hebben we hier te doen met een dorsvloer, omgeven door een haag van Boksdoorns.
Verschillende onderzoekers, zoals Linnaeus, Lundgreen, Fonck, Ha Renbéni, Dalman en Killermann, mannen van naam, kenners van Palestina of grote plantkundigen, hebben zich uitgeput om uit te zoeken, van welke doorntakken de doornenkroon van Christus gevlochten was. Ieder voor zich komen ze in hun soms belangwekkende betogen tot verschillende conclusies, zodat wij er het zwijgen maar zullen toedoen. De betekenende zaak is van meer waarde.
Meer doornen en distelen zullen we niet noemen.
Beide planten zijn lastig onkruid in de akkers. Daarom gaat men ze uittrekken of afsnijden en met vuur verbranden. Onkruid door vuur verbranden is reeds een zeer oude gewoonte. Rokende vuren van afgesneden dorens en distels zijn in Palestina dan ook kenmerkend voor de late zomer en herfst. Vijanden verbrandden echter ook wel eens edele v/ijnstokken, alsof het waardeloze distels waren. Aangrijpend is dan ook het gebed van cle dichter in Ps. 80, wijl God Zijn volk zo heeft verlaten, dat de vijand de schone wijnstok in brand stak, alsof het vuilnis, alsof het een cïistelhoop was: Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts." (Ps. 80 : 17.)
Distels en doornen kunnen ook nog hun nut hebben. Wanneer ze goed droog zijn, geven ze onder sterk geknetter een grote vlam en een korstondige felle hitte. Daardoor kan snel 't water in een pot verwarmd worden. De goddelozen zijn echter nog minder in tel dan deze planten.: Eer dan uwe potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in hete toorn, w r egstormen." (Ps. 58 : 10.)
Fel heeft het doornenvuur gebrand, maar spoedig was het uitgedoofd; even glimmen nog de vonken na, maar kort daarop wijst de as de plaats aan waar het vuur laaide. Zo zag de dichter ook het dreigend gevaar van de vijanden, die een korte tijd door hun oorlogsgeweld verschrikten, maar in Gods kracht overwonnen werden: Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in cle Naam des Heeren, dat ik ze verhouwen hel}." (Ps. 118 : 2.)
Och, laat hen in hun kwaad niet groeien, Maar doe hen als een misdracht zijn; Dat nooit de zon hun oog beschijn'. Eer clan uw potten zullen gloeien Van 't doornenvuur, stormt Hij gezwind. Hen weg, als in een wervelwind.
(Ps. 58 : 6.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1952
Daniel | 12 Pagina's