Petrus Dathenu
(4.)
Zijn verblijf in de Nederlanden (1566-1567)
Zodra Datheen in de Nederlanden is aangekomen, begeeft hij zich naar Gent. Gedurende zijn verblijf in deze landen, heeft hij zich voornamelijk in deze stad opgehouden, waar hij dan ook als vast predikant optrad. Vanuit Gent maakte hij dan geregeld reizen naar andere plaatsen. 5 October preekte Datheen te Gent op het St. Janskerkhof, toen hier één der Calvinisten begraven werd. Openlijk trad hij op tegen cle leer van het Roomse vagevuur, waarom hem door de overheid bevolen werd zijn predikatie af te breken. De Roomsen beweren, dat Datheen toen gevlucht zou zijn, omdat hij enige soldaten op zich af zag komen. Twee dagen later ging hij met nog twee personen naar Sottighem, om daar met de graaf van Egmond over enige godsdienstzaken te gaan spreken, doch onverrichterzake keerden zij terug, „omdat zij van de graaf van Egmond niet verkrijgen en konden hetgeen zij vraegden."
9 October was hij weer in Gent terug, want die dag preekten hij en Moded aldaar, terwijl er tevens kinderen gedoopt en enkele huwelijken bevestigd werden. Eindelijk kregen de Calvinisten van de graaf van Egmond toestemming een kerkgebouw, dat zij in zeer korte tijd even buiten de stad hadden opgetrokken, in gebruik te mogen riemen. Datheen werd in Gent een gezien prediker en bij de overheid stond hij bekend als „de principaalst.e Minister der Calvinisten."
Inmiddels was de toestand in de Zuidelijke Nederlanden er niet beter op geworden. De gevolgen van de beeldenstorm lieten zich gevoelen. Koning Philips II was zeer verontwaardigd en had zich voorgenomen alle tegenstand der Calvinistten te breken. Er dreigde dus groot gevaar. Om nu dit dreigend gevaar af te wenden, belegde Datheen te Gent een kerkvergadering, waarbij een tiental predikanten en 25 afgevaardigden uit Antwerpen en andere plaatsen aanwezig waren. Op deze vergadering werd het voorstel gedaan om koning Philips een som van drie millioen goudguldens aan te bieden, teneinde daarvoor volkomen godsdienstvrijheid te verkrijgen. Zonder 's konings antwoord af te wachten, wilde men reeds dadelijk met de inzameling beginnen, waarom prof. Blok veronderstelt, „dat die drie millioen niet moesten dienen voor het wat al te naïeve plan de koning om te kopen, maar veeleer om een krijgskas te vormen voor een eventuële opstand." De meeste steden durfden er echter niet op in te gaan. Toch was de zaak niet geheel van de baan, want enige tijd later werd besloten de reeds ingezamelde gelden te gebruiken voor het werven van troepen door Frederik III, keurvorst van de Paltz. Een nieuwe moeilijkheid deed zich voor. Aan wie zou het bevel over de troepen worden opgedragen ?
Men werd het er over eens Oranje hiervoor te vragen, mits hij zou beloven de Gereformeerde religie te zullen handhaven. Mocht hij weigeren, dan zouden Hoorne of Brederode worden gevraagd.
Hoewel de Prins ernstige bezwaren had, verklaarde hij zich tenslotte toch bereid, de opstand te zullen leiden, mits hij kon rekenen op Duitse hulp en de Calvinisten de Augsburgse Confessie zouden ondertekenen. Hiervoor waren de Gereformeerden en vooral Datheen niet te vinden, zodat de Prins het verzoek van de hand wees. Nu werd Brederode met de leiding belast; een man vol vuur, doch niet geschikt voor deze moeilijke post.
post. Inmiddels was er ook te Nieuwerkerke een vergadering gehouden, waar men besloten had zich met de wapens tegen het optreden van de landvoogdes te verzetten. Van deze vergadering was Datheen voorzitter en aan hem en Moded werd opgedragen voor de verdere regeling te zorgen.
Er is reeds opgemerkt, dat Datheen behalve in Gent, ook in vele andere plaatsen preekte. Zo trad hij in het najaar van 1566 o.a. op in Yperen, Brugge, St. Wynobergen, Vlissingen, Middelburg, Zierikzee, Poperingen en Armentieres. Tevens zamelde hij in al deze plaatsen geld in voor de aan te werven troepen. Doch ook de tegenstanders zaten niet stil. Onder leiding van Beauvoir was er een welgeoefend leger bijeen gebracht, om de opstand te onderdrukken. Uit tal van kleine gevechten bleek weldra, dat het leger der Geuzen niets vermocht tegen het geoefend leger van Beauvoir. Oosterweel, het hoofdkwartier der Geuzen, viel in handen van de vijand en elf dagen later ook Valenciennes. In Amsterdam hield men de tegenstand nog even vol, doch Brederode zag wel in, dat het ook hier zou mislukken, waarop hij spoedig de stad verliet.
Hij ging naar Emden, waar hij 30 April 1567 aankwam. Voor Datheen was er geen reden meer, hier nog langer te blijven. De kerken der Gereformeerden moesten worden gesloten en de vervolging nam in hevigheid toe. Tenslotte verliet hij Amsterdam en keerde terug naar Frankenthal. De landvoogdes had een prijs uitgeloofd voor wie hem levend zou overleveren, omdat hij had aangezet tot het opnemen der wapenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1952
Daniel | 12 Pagina's