III. De Deugden Gods (a.)
Gods Deugden behoren tot Gods Wezen
Na de behandeling van het Woord Gods en van het Wezen Gods zijn we dan nu gekomen aan de Deugden Gods, waarover we het een en ander wensen op te merken. Niet dan met heilige schuchtbaarheid mogen we hier wel tot elkander zeggen het woord, dat Mozes eenmaal hoorde bij het brandende braambos: „Trek uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig land!"
Immers, had God in Zijn onbegrijpelijke goedheid Zichzelf niet in Zijn Woord geopenbaard nooit en te nimmer zouden we iets van Zijn Goddelijke Deugden hebben kunnen stamelen. In dat Woord worden die Deugden of eigenschappen Gods niet alleen genoemd, maar ook in al haar heerlijkheid tentoongesteld. En toch blijven die Deugden voor de mens onbekend en onbegrepen, zolang hij ze slechts met het natuurlijk verstand beschouwd; er is nodig de ontdekkende werking des Heiligen Geestes, de verlichte ogen des verstands, om in waarheid iets te zien van die volzalige eigenschappen, die er in het Goddelijke Wezen leven, en die voor een deel hier op aarde gezien en gesmaakt worden.
Allereerst moeten we dan dit opmerken, dat wij, mensen, over cleze eigenschappen Gods nooit anders denken kunnen, dan van zaken, die onderscheiden zijn van het Wezen Gods Zelf. Wij willen het ons altijd zo voorstellen en we gevoelen het soms ook zo in ons hart, alsof het Goddelijk Wezen geheel los staat van Zijn eigenschappen en alsof die eigenschappen wel iets zijn, wat God bezit, maar toch in geen geval God Zelf zijn.
Deze gedachte te koesteren is geheel verkeerd. Hoewel er bij ons mensen wel degelijk onderscheid is tussen iemands persoon en zijn bekwaamheden en karakter, daarom is dat toch niet zo bij cle grote en onbegrijpelijke God.
Daarom staat er ook in Gods Woord: „Te dien dage zal God één zijn en Zijn Naam zal één zijn", wat niet betekent, dat Gods Naam en Zijn Wezen nu geen eenheid vormen, welk verschil dan later zou worden opgeheven; neen, maar er wordt mede bedoeld, dat eenmaal al Gods volk zien en beamen zal, dat God en Zijn Naam en werken en deugden één zijn, hoewel ze dat nü, in deze zondige bedeling, nog niet kunnen zien.
En zo staat het nu ook met Gods Deugden. Voor ons verstand schijnt het alsof God Zelf en Zijn eigenschappen van elkander onderscheiden zijn, maar ze zijn in werkelijkheid niet te scheiden; doch eerst als het volk des Heeren ontdaan van alle belemmeringen der zonden, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren aanschouwen mag in het nieuwe Jeruzalem, zal het blijken, dat er in werkelijkheid geen verschil of afstand is tussen die twee.
De Socinianen en de Arminianen hebben dat wel geleerd, omdat ze de onveranderlijkheid van Gods Wezen beleden, doch niet de onveranderlijkheid van Zijn Deugden. Dat moesten ze wel leren, omdat ze anders onmogelijk konden staande houden de voorwaardelijk verkiezing, die met haar verderfelijke leringen zoveel kwaads in de kerk heeft gesticht.
Maar, als wij op grond van de H. Schrift, vasthouden aan de waarheid, dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen Gods. Wezen en Zijn Deugden, dan belijden we daarmede, dat Zijn Deugden even onveranderlijk zijn als Zijn Wezen, en dat de Heere, ook in de betoning van Zijn recht en van Zijn genade, gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.
En dat dit werkelijk zo is en niet anders, kunt ge lezen uit verschillende uitspraken van Gods Woord, waar niet alleen gezegd wordt, dat de Heere het licht, het leven, de waarheid, de liefde, de heiligheid, enz. bezit, maar niet minder dat er van Hem getuigd wordt, dat Hijzelf de Liede is; het Leven is; de Waarheid is; de Heiligheid is. Daarom zegt de Schrift ook, dat God zweert bij Zijn eigen heiligheid, evenzo goed, als dat eistaat, dat Hij bij Zich zeiven zweert.
Dus zijn de Goddelijke eigenschappen geen toevallige bijkomstigheden bij het Wezen Gods, zodat het Wezen Gods er ook wel zijn kon zonder die eigenschappen: maar integendeel behoren ze juist tot Gods Wezen. Zonder die Deugden Gods is het Wezen Gocls onbestaanbaar. Ze behoren bijeen. En in deze waarheid ligt een troostbron voor al Gods kinderen, want zo waarachtig als God is zijn ook Zijn Deugden. Zo min Zijn Wezen kan veranderen, zo min kan Zijn liefde veranderen tot de Zijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1952
Daniel | 8 Pagina's