Vaderlandse Geschiedenis
Het tijdvak 1579—1584
Deze jaren zijn voor Prins Willem een aaneenschakeling van beproevingen geweest. Menigeen zou in zulke omstandigheden bezweken zijn, maar hij hield stand.
Vredesonderhandelingen. Zoals wij vorige maal schreven: de Prins oordeelde over de Unie niet gunstig; volgens hem deugde ze niet.
Maar hij had er zich bij neergelegd, omdat het anders
een verbrokkelde zaak bleef, waaruit de vijand voordeel zou weten te halen.
In het Unie-jaar had weer een poging plaats tot vredesluiting. 't Was keizer Rudolf II, die daartoe het initiatief nam.
Men vergaderde te Keulen, 's Konings vertegenwoordiger was de hertog van Terranova; de hertog van Aerschot e.a. vertegenwoordigden de Staten-Generaal en Matthias. Maar het bleek al spoedig, dat Philips vastgeroest zat op het punt van de godsdienst. Echter wist men ook, dat de Prins ten opzichte daarvan nooit of te nimmer zou toegeven.
Ook wist men, dat hij „noch om geld en goed, noch om zijn leven, noch om vrouw en kinderen, in zijn beker een druppel van het gif des verraads wilde mengen."
Toch wilde men het nog eens beproeven; en het lokaas was waarlijk niet gering, waarmee men hem van de zaak van ons volk zocht af te trekken en hem naar Duitsland te doen terugkeren. Hoor maar!
Teruggave van zijn verbeurd verklaarde goederen; teruggave van zijn gevangen zoon; betaling van al zijn schulden. Wilde hij in deze landen blijven, dan kon hij persoonlijk ongehinderd zijn godsdienst uitoefenen; verkoos hij deze landen te verlaten en naar 't buitenland te gaan, dan kreeg zijn zoon de goederen hier te lande en hijzelf vergoeding in Duitsland; ten slotte een buitengewone gift van een millioen gulden.
Het kon er mee door!
En het antwoord des Prinsen? Hij weigerde dat verradersloon; hij wilde zijn schapen niet verlaten en aan de wolven prijs geven.
De afgezant des konings had voorgesteld, dat de gereformeerde religie alleen maar in Holland en Zeeland zou mogen worden uitgeoefend. Die van de kerk afgevallen waren kregen 4 jaar tijd om hun goederen te verkopen. In die jaren mochten zij niet vervolgd worden; maar de Staten konden die termijn ook nog bekorten-
Het was fraai!
Het Noorden bedankte er natuurlijk feestelijk voor, om aan zulke eisen te voldoen. Integendeel, het stelde een tegeneis: openlijke uitoefening van de gereformeerde religie en van de Augsburgse Confessie. Hierop werden de onderhandelingen gestaakt.
Rampspoeden. Ontzaglijk zijn de moeilijkheden geweest die ons overkwamen. Als God niet over ons arme volk gewaakt had, er zou niets van terecht gekomen zijn. Nog in 1579 nam Parma Maastricht in. Het werd daar een tweede Haarlem, én wat de verdediging, maar ook wat het lot betreft. Na een verdediging van 4 maanden met de hoogste moed werd de stad genomen en op zijn spaans behandeld. Het Protestantisme werd er geheel uitgeroeid.
Mechelen en 's-Hertogenbosch gingen naar Parma over en ook in Brussel wankelde het.
In deze laatste stad was Egmond, de zoon van wijlen graaf Egmond, met een bende binnengekomen en doorgedrongen tot op de Grote Markt, waar zijn vader indertijd zo schandelijk vermoord was en wiens moordenaars de zoon nu diende.
Een grote menigte omsingelde hem; allerlei verwijten slingerde men naar zijn hoofd.
Men vroeg hem, of hij het hoofd van zijn vader kwam zoeken. Men schreeuwde hem toe enige stenen onder zijn voeten op te breken, dan zou het vergoten bloed tegen hem getuigen.
Scherp, maar wel verdiend. De volgende dag lieten de burgers hem weer vrij.
Rennenberg. Maar heel erg was voor de Prins het verraad van Rennenberg (1580), zoals we weten één der ondertekenaars van de Unie van Utrecht. Hij was stadhouder van de 4 noordelijke gewesten en had zich door zijn familie in het Zuiden en ook door Parma, onder allerlei voorspiegelingen laten overhalen, weer de zijde des konings te kiezen. Het verraad was te gemakkelijker, waar het merendeel van de bewoners van zijn gewesten nog katholiek was.
plotseling verscheen hij voor Groningen en maakte zich met hulp van de Spaansgezinde burgers van deze stad meester.
Wel sloeg Willem Lodewijk, zoon van Jan van Nassau, met hulp van de benden van de onversaagde, maar woeste Watergeus, Barthold Entes (deze was indertijd ook bij de inname van Den Briel geweest) het beleg om de stad, maar hij moest opbreken en Entes sneuvelde.
Gelukkig werd verdere afval verhoed door de dappere verdediging van Steenwijk, een der toegangspoorten naar het Noorden, onder Van den Cornput. (1581). Reeds hetzelfde jaar stierf de afvallige en werd opgevolgd door Verdugo, een van Alva's vroegere generaals.
Een jaar daarop werd Groningen, wel zeer opmerkelijk, geteisterd door een pestepidemie, waarbij 13000 mensen stierven.
Friesland bleef gelukkig voor de Prins behouden en koos hem tot stadhouder. Maar heel erg was het in Gelderland gesteld. De stadhouder van dat gewest, Jan van Nassau, had het er zeer moeilijk. Daar was de strijd met de Spanjaarden; 't zat er vol met ontevredenen; het krijgsvolk wilde betaling van de achterstallige soldij; hij zelf had zijn broer ƒ 600.000 voorgeschreven en leed gebrek.
Het meest ergerlijke was, dat hij zelfs geen brood en vlees kon krijgen op crediet! Het was voor de man niet te houden. Voeg er bij, dat hij in grote zorg zat over zijn talrijk gezin, dat op de Dillenberg was onderge-
bracht. Zo moest de edele man weg van hier, tot grote smart van de Prins. Opvolger van hem was graaf Willem van den Berg, 's Prinsen zwager.
En toch hebben later verscheidene van zijn zoons in het Staatse leger meegestreden en dat ondanks de bejegeningen hun edele vader aangedaan.
Dat was waarlijk een Nassau waardig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1952
Daniel | 12 Pagina's