II. Het Wezen Gods (n.)
HEERE en Heere
HEERE en 1 Jeere
God heeft Zichzelf namen gegeven, opda.t de mens Hem daardoor zou leren kennen. Onder deze namen zijn de namen; Jehova en Adonai zeker niet de minste. Tevergeefs zult ge deze namen echter in uw Bijbel zoeken, want deze Hebreeuwse namen zijn door onze Bijbelvertalers overgezet door het woord: Heere. Echter met dien verstande, dat onze Statenvertalers het onderscheid tussen deze beide namen, dus het verschil tussen Jehovah en Adonai, duidelijk hebben doen uitkomen door voor de naam Jehovah het woord HEE-RE met kapitale letters te schrijven en de andere naam Adonai te vertellen door het woord Heere met kleine letters.
Zo dikwijls dus als ge in uw Bijbel de naam „HEERE" tegenkomt, staat er in de grondtekst altijd: „JEHO-VAH" en zo vaak ge er de naam „Heere" in leest, is er sprake van „Adonai".
Aan het einde van ons vorig artikel hebben we U reeds op de betekenis van beide namen gewezen. De naam Adonai of Heere betekent: Gebieder, Meester, Heer. Uit deze naam blijkt dus, dat God zeggenschap heeft over de mens en over al het geschapene. Telkens, wanneer er in de Bijbel de verhouding tussen God en schepsel getekend wordt als die van meester en knecht, heer en slaaf, vrouw en dienstmaagd, wordt het woord Adonai: Heere gebruikt. Om U dit duidelijk te maken zouden we dus kunnen zeggen, dat God de Heere is over de zee, de wind, de engelen, de dieren, de mensen, enz., waarmee we dan bedoelen, dat Hij hun Meester en Gebieder is, aan Wie zij verantwoording verschuldigd zijn en die alles over hen te zeggen heeft, als de Souvereine Vorst.
Staat er daarentegen het woord HEERE dan is de betekenis geheel anders. Jehovah of HEERE betekent: ij is; d.w.z. Hij blijft, wie Hij is. Of, zoals het in Ex. 3 : 14 staat: k zal zijn, die Ik zjjn zal. Deze naam is dan ook terecht door onze Vaderen vertaald door: e Getrouwe; de Onveranderlijke. De Getrouwe in Zijn Wezen en de Onveranderlijke in Zijn beloften. Die getrouwheid en onveranderlijkheid Gods ziet speciaal op de verbondsbetrekking, waarin God de Heere tot het oude Bondsvolk Israël stond, en waarin Hij nu nog staat tot al degenen, die onder de roede des verbonds zijn doorgegaan en onder de band des verbonds zijn gebracht.
Deze naam HEERE wordt steeds in Gods Woord gebruikt, waar het betreft een zekere verbondsverhouding tot het schepsel. Ook in het Paradijs, waar Adam in een werkverbond met God stond, wordt de naam HEERE of Jehovah gebezigd; en dat geschiedt, omdat het overal waar God beloften gedaan heeft, aankomt op Zijn onveranderlijkheid en eeuwige trouw.
Is het U, waarde lezer (es), nooit opgevallen, dat er in Genesis I nimmer van de HEERE (Jehovah) gesproken wordt, terwijl daarentegen in Genesis 2 steeds de Verbondsnaam gebruikt wordt? En dat is geen louter toeval, maar wijze leiding des Geestes, die de Schrift geïnspireerd heeft. De schepping der aarde in 6 dagen en de rust op de zevende dag wordt ons medegedeeld in Genesis 1 en in Gen. 2 : 1 t.m. 3. In dat scheppingsverhaal leren we God kennen als de Schepper van hemel en aarde. Wel wordt ons hierin ook de schepping van de mens verhaald, maar alleen voorzover hij een product is van Gods almachtige kracht, dus van Zijn scheppingsmogendheid. Maar vanaf vers 4 in hoofdstuk 2 komt er wijziging in het Bijbelverhaal; dan toch wendt God zich speciaal tot de mens, om zich met hem te bemoeien, en hem als beelddrager Gods te behandelen; een lusthof ter bewoning te geven; het proefgebod voor te houden; in een woord: e verhouding tussen God en mens te beschrijven. En nu moet ge eens opletten hoe er vanaf Gen. 2 : 4, waar de geschiedenis der mensheid aanvangt, steeds gesproken wordt van „God de HEERE" of kortweg van de „HEERE GOD". En zo gaat het ook steeds verder in de geschiedenis. Als de genade Gods over Noach komt en er dus van „trouw en goedertierenheid" sprake is, dan noemt God Zich: e HEERE; maar als Hij Zijn wetten geeft voor het ganse aardrijk en zijn bewoners, betreffende doodstraf, regenboog, enz. (zie Gen. 9) dan is het weer „GOD", die spreekt. De naam Jehovah, die eerst in Zijn volle luister aan Israël werd geopenbaard, toen het uit Egypte verlost werd, was een waar teken en onderpand voor hun zekere komst in het beloofde land, en van de wondere hulp des HEEREN in de drukkendste en moeilijkste omstandigheid, die het volk in de woestijn zeker zou ontmoeten. Maar dan zou het ook leren, wat het had aan zulk een Jehovah, die door Zijn naam „HEERE" Zich verbond om Zijn gezworen beloften gestand te doen, zoals Hij steeds belooft aan al Zijn volk van alle tijden en eeuwen.
Tenslotte mei-ken we nog op, dat de oorspronkelijke uitspraak van de naam Jehovah in het Hebreeuws klonk als JAHWEH. Door een verkeerde uitlegging van het derde gebod, waar het luidt: Gij zult de naam des HEEREN (Jehovah) Uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt; kwamen de Joden ertoe om overal, waar in het Oude Testament de naam Jehovah voorkwam, de naam Adonai te lezen. Als gevolg hiervan werden de klinkertekens van Adanoi in de Hebreeuwse tekst toegevoegd aan de medeklinkers JHWH, waardoor men later kwam tot de uitspraak Jehovah.
Deze gewoonte dateert vanaf ongeveer 300 voor Chr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 1951
Daniel | 12 Pagina's