VRAGENBUS
Correspondentie voor de ze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rolterdam-Zutd
N. T. te G. schrijf: „Gedurig heerst er in onze Gemeenten verschil van mening over het al of niet in zijn in het Verbond. J
Wilt U er nog eens iets van schrijven? "
Antwoord: Met de inhoud van uw brief ben ik het eens. Alleen als U schrijft, dat er gedurig verschil heerst in onze Gemeenten over dat punt, dan vraag ik mij af: „Is dit wel helemaal waar? "
De inhoud van uw brief komt overeen met hetgeen wijlen Ds G. H. Kersten geschreven heeft in de korte lessen over „Kort Begrip."
Hij toch schreef, dat het wezen des Verbonds alleen de uitverkorenen betreft, maar dat er ook een openbaringsvorm van het Verbond is.
En dan onderscheidt hij:
a. de particuliere vorm van Adam tot Abraham.
b. de partriarchale vorm van Abraham tot Mozes.
c. de nationale vorm van Mozes tot Christus.
d. de kerkelijke vorm onder het Nieuwe Testament.
Die laatste openbaringsvorm de „kerkelijke" betreft dus ons.
Iemand, die geboren is op het erf der kerk, gedoopt werd en belijdenis gedaan heeft, maar niet wezenlijk tot het Genade-Verbond behoort, staat nochtans in een uiterlijke betrekking tot het Verbond en leeft onder de bediening der verzoening.
Dat is een groot voorrecht, maar brengt ook een grote verantwoordelijkheid mee, als we het wezen des Verbonds niet deelachtig worden.
In dat Verbond belooft God de komst van de Borg en laat Hem door plechtigheden afbeelden, laat Hem veertig eeuwen na de moederlofte geboren worden en door lijden voor de zonden betalen, verhoogt Hem aan Zijn rechterhand en stelt alles in Zijn handen.
Hij laat het Evangelie der zaligheid verkondigen en trekt daardoor Zijn uitverkorenen uit de wereld en brengt hen tot dit Verbond en leidt ze langs paden, die ze niet geweten hebben tot heerlijkheid.
De inhoud van het Verbond is dus de Heere Jezus.
De Heere Jezus noemt Zichzelf de ware Wijnstok en als Hij dan zegt: „Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage", dan blijkt daaruit, dat er een tweeërlei betrekking is tot Christus. Een zaligmakende, een wezenlijk inzijnde betrekking tot Christus, die de levenssappen uit Hem bekomt en vrucht doet dragen en een uiterlijke betrekking. Alzo ook ten opzichte van het Verbond. Het al of niet in zijn in Christus beslist over onze betrekking tot het Verbond.
Dit rijke evangelie, de mogelijkheid van zalig worden, moet gepredikt worden en zij de inhoud van elke evan-
gelieprediking. En aangezien een leraar niet weet, wie er van zijn hoorders onder het zegel der verkiezing liggen heeft hij de rijkdom van dat verbond te prediken als een Genade-Verbond, als een heerlijk, heilig, welverordineerd, eeuwigdurend Verbond.
Hij dringe aan meer dan een herder achter de kudde het wezen des Verbonds deelachtig te worden aan hen, die leven onder de bediening der Verzoening in onbekeerlijkheid voortwandelen.
De oorzaak van het niet ingaan in het Verbond, kan nooit zijn, omdat de mens niet uitverkoren is, want dan zou heimelijk de schuld aan de Heere gegeven worden. Maar de schuld ligt bij de mens.
Onkunde, geloof, aardse beslommeringen, begeerlijkheid des vleses, onverschilligheid, vijandschap en zoveel andere dingen houden hem af van dat Verbond, maar wee de mens, die dragende het teken des Verbonds, straks als een verbondskind (in algemene zin) zal worden weggestoten met de rijke man, die in de hel Abraham nog zijn vader noemde.
N. v. D. te D. vraagt namens de J.V. of de doodslag van de Egyptenaar door Mozes een overtreding van Gods wet was.
Antwoord: Zeker was dat een overtreding. Dat Mozes de kinderen Israëls wilde helpen en verlossen was geen zonde, maar wel, dat hij dat eigenwillig deed. Zo het thans geschied was, was het Mozes' werk geweest en 't moest juist een werk Gods zijn.
Appelius schrijft: „Mozes was in zijn ontwikkeling op dat punt gekomen, waarop men grote dwalingen licht met grote waarheden verwart, waarop men meent door de Geest gedreven te zijn en toch slechts door vleselijke ijdelheid en eigen wil gedreven wordt, waarop men meent heldendaden te doen, terwijl men zware jonden bedrijft."
Augustinus zegt: „Wanneer ik de eeuwige wet Gods raadpleeg, dan bevind ik, dat hij, die geen wettig ambt bekleedde, gene, al deed hij onrecht, al was hij goddeloos, niet had moeten doden. Maar mannen, tot grote dingen bekwaam, begaan dikwerf eerst grote misslagen."
Eindelijk zegt Ronkel: „Daar is, gij kunt het niet ontkennen, iets edels in die fiere daad, die voor een ogenblik eigen veiligheid doet vergeten, om der broederen hoon te wreken. Maar toch, later zou hij 't zelf uitspreken, 't was een overtreding van Gods heilige wil."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1951
Daniel | 8 Pagina's