II. De Namen Gods (I.)
Heeft God namen nodig?
De Drieënige God, over Wiens Wezen en Personen we in enige artikelen handelden, heeft Zich aan de mensenkinderen geopenbaard, en bij die openbaring zich bediend van Namen, waarmede Hij Zichzelf genoemd heeft.
Wanneer wij de vraag stellen: „Heeft God namen nodig? ", dan mogen we hierop ontkennend antwoorden, als we bedenken, dat er van Gods kant bezien niet de minste noodzaak bestaat om een naam te dragen.
Wij mensen dragen een naam, die ons allen van nut is, om ons van andere mensen te onderscheiden. In het onderscheid der namen treedt voor ons het onderscheid der personen aan de dag. En als er onder ons mensen geen namen werden gegeven en gedragen, dan zou er al spoedig een grote verwarring ontstaan en veel vergissingen daarvan het gevolg zijn.
Maar met God de Heere is het heel anders gesteld. Hij is de enige God; er bestaan geen andere goden, van wie Hij onderscheiden zou moeten worden. De naamgeving als zodanig is dus voor God geheel overbodig, omdat er slechts één God is.
Oorspronkelijk echter dienden de namen niet alleen om de mensen van elkaar te kunnen onderscheiden, maar ze hadden ook een veel hogere betekenis. In de naam sprak het karakter, de aard, de gesteldheid, of de betekenis van de mens.
Dat de namen Abram, Abraham, Izaak, Jacob, Israël, Mozes, Salomo, Johannes, Petrus, enz. in hun bijzondere betekenis met het karakter of met de levensbestemming van deze mensen verband hield, is u allen genoegzaam bekend. En als er geen zonde op de wereld gekomen was, zou ieder mens, die geboren werd ook zeer zeker een naam „naar zijn aard" ontvangen hebben, even zo goed als de dieren zulk een soortnaam ontvingen van Adam. Maar zie, de zonde is tussenbeide gekomen en heeft de mens onder meer ook beroofd van de kostelijke gave om het wezen en het karakter en de bestemming der jonge kinderen te kunnen doorzien. En het gevolg daarvan is, dat de jonggeborenen, nu ja, wel een naam ontvangen, soms zelfs heel mooie, maar dat die naam toch in het minst niets te maken heeft met het gemoed, de aard of de bestemming van dat kind, dat die naam ontvangt. Als het echter was, zoals het wezen moest, en zoals het zonder de zonde ook geweest zou zijn, dan zou elk mens de naam gedragen hebben, die met zijn persoonlijkheid precies overeenkwam, zo zal het ook eens weer zijn in het nieuwe Jeruzalem, waar naar luid van Openb. 2 : 17 eik inwoner een nieuwe naam ontvangt, die niemand kent dan die hem ontvangt, een naam, die dan ook volkomen zal uitdrukken, wat de bijzondere eigenschap van elk bepaald kind van God zal zijn.
Als we nu echter spreken over een naam voor het Opperwezen, dan is dat ook uit het oogpunt van cle betekenis der namen onmogelijk, dat er voor God een gepaste naam zou bestaan of zou te vinden zijn. Zal de naam van een wezen of van een ding volkomen uitdrukken, wat het is, zodat het door zijn naam in zijn eigenaardigheid aan de dag treedt, ten opzich-
te van Het Goddelijk Wezen is geen gepaste naam te vinden, want God is onbegrijpelijk en dus niet te benoemen. Daarom staat er ook in Spr. 30 : 4: Wie is ten hemel opgeklommen en nedergedaald? Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam en hoe is de naam Zijns Zoons, zo gij het weet? "
Als Jakob aan de Jabbok, na zijn worsteling met God spreekt, Gen. 32 : 29: Geef toch Uw naam te kennen", krijgt hij alleen ten antwoord: Waarom is het, dat gij naar mijn Naam vraagt? " En als Manoach, Simsons vader, de Engel des Heeren vraagt, Richt. 13 : 17: Wat is Uw Naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen", zei deze tot hem: Waarom vraagt gij dus naar mijn Naam? Die is toch wonderlijk!"
Toch draagt God namen; namen, die Hijzelf heeft aangenomen. Niet omdat H ij ze nodig heeft, maar wel omdat w ij ze nodig hebben. We moeten namen voor God hebben om Hem te onderscheiden van allerlei schepselen en ook van de afgoden. De zonde heeft dat nodig gemaakt. Maar voor-en bovenal zijn er namen voor God nodig om ons iets te doen verstaan van Gods deugden en volmaaktheden. Immers, in de namen Gods ligt Zijn Wezen en liggen Zijn eigenschappen uitgedrukt, al is het dan ook maar het uiterste stipje daarvan. En waar God Zichzelf namen geeft, daar geschiedt dat, opdat wij Hem des te beter zouden kennen. Een God zonder naam is een onbekende God, gelijk die te Athene. Maar de naam Gods is de brug, om Hem nader te leren kennen. Door Zijn Naam komt God tot ons; en dat wensen we nu verder te onderzoeken, door te letten op de bijzondere betekenis, die Gods Namen hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1951
Daniel | 12 Pagina's