VRAGENBUS
C orres/jondentie i'oor deze rubriek aart : T MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V.
C orres/jondentie i'oor deze rubriek aart : I T MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V. / ^
J. V. te W. vraagt verder: n Ps. 119 : 52 staat: Alleen door Uw bevelen krijgt mijn geest, verstand van God en Goddelijke zaken."
Hoe kunnen wij verstand van God en Goddelijke zaken krijgen? God is toch onbegrijpelijk?
Antwoord: Hier is een kind Gods aan het woord, dat eerst gezongen heeft: „Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest, Geen honing kon 't gehemelt' beter smaken" en straks het vers eindigt met „Dies heb ik alle leugenpaan gevreesd, en zal bedrog en slinkse wegen wraken."
Dit kan een onbekeerd mens niet zeggen. Die vindt geen zoetigheid in Gods bevelen en die krijgt er ook geen verstand uit.
's Heeren volk mag leven bij Gods Woord en dat Woord is een lamp voor hun voet en een licht op hun
pad. Dat Woord spreekt ons niet alleen wie God is in de betoning van Zijn rechtvaardigheid tegenover een gevallen mens, maar ook wie Hij is in de betoning van Zijn barmhartigheid in Christus voor al Zijn volk, dat Hij van eeuwigheid heeft liefgehad en in de tijd trekt uit de macht der duisternis en overbrengt in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. Dat volk leert God kennen en zichzelf. Godskennis gaat vooraf. Die kennis mag, als het goed is, niet tot stilstand komen. De Heere zegt in Zijn Woord Hos. 6:3: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om de Heere te kennen, " en de Heere Jezus zegt in het Hogepriesterlijk gebed: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige, waarachtige God en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt."
Als IJ dus vraagt: „Hoe kunnen wij verstand van God en Goddelijke zaken krijgen, " dan antwoord ik: „Door Hemels onderwijs."
Laat er dan veel zijn, dat wij mensen niet begrijpen, het behaagt de Heere zoveel te geven, dat Zijn volk er in gezaligd en Zijn Naam door verheerlijkt wordt.
K. de W. te L. heeft in het „Dogma der Kerk" onder redactie van Prof. Dr Berkouwer en Dr Toornvliet verschillende dingen gelezen betreffende het scheppingswerk, die in de Geref. Gemeenten anders geleerd worden. Zo wordt de mogelijkheid gesteld, dat
le het heelal reeds millioenen jaren oud zou zijn.
2e dat de „dagen" genoemd in Gen. 1 tijdperken kunnen geweest zijn.
3e dat de ouderdom van het menselijk geslacht wel met enige duizenden jaren vermeerderd mag worden, dan men vroeger meende.
Hij vraagt of ik daar mijn mening over wil zeggen.
Antwoord: In alle ernst kan ik U zeggen, voorzichtig te zijn met wat U leest. Hetgeen U mij voorlegt is niet nieuw. Van oude tijden af heeft men geprobeerd de grondslag van Gods Woord te ondermijnen. De duivel, de leugenaar van den beginne heeft alle mogelijke plannen beraamd en hij doet het nog, om de waarheid van 's Heeren Woord krachteloos te maken.
Jonge mensen, vooral zij, die studeren, verdiepen zich gaarne in zulke dingen. En toch het is niet zonder gevaar.
Als de twijfel oprijst over de eerste hoofdstukken des Bijbels, waar belanden wij dan? We komen terecht bij het Modernisme.
Wat de eerste vraag betreft verwijs ik U naar de Geref. Dogmatiek, waar Ds G. Kersten schrijft: De Schrift spreekt van 6 dagen, waarin God alle dingen geschapen heeft. (Ex. 20 : 1) en het betaamt niemand om zelfs ook maar één poging te wagen, om door het inleggen van onze gedachten in Gods Woord, de Heilige Schrift aan te passen aan de zgn. resultaten van de geologie, waarmede velen de waarheid Gods trachten te logenstraffen."
Wat de tweede vraag betreft antwoordt Ds Kersten met het volgende:
„Ook de opvatting dat door de scheppingsdagen zeer lange perioden zouden te verstaan zijn, moeten wij van de hand wijzen. Op de vierde dag schiep God de zon, zodat de laatste drie alleen reeds als gewone dagen zijn aangegeven en wat de eerste drie dagen betreft, is het niet anders, want de Heere spreekt ook van de eerste drie scheppingsdagen als van gewone dagen nl.: Het was avond geweest en het was morgen geweest enz."
Eindelijk de derde vraag. Hiervan zegt vader Brakel: „Van onze tijd af opwaartstellende komt men door omtrent 5750 jaren tot het begin. Ik zeg omtrent, want men kan het niet net zeggen, dewijl de tijdrekeningen alleen uit de geboorten der voorvaderen in de H. Schrift vermeld, moeten gerekend worden en die zijn alleen bij jaren, zonder maanden en dagen aangetekend."
Ik hoop mijn vriend, dat U tevreden is met de uitspraken van twee van Gods knechten, die reeds juichen voor Gods Troon.
Tob niet te veel over deze dingen. Aanvaard ze kinderlijk, zoals Gods Woord ze leert en gebruik uw kostelijke tijd om wetenschap te bekomen om getroost te leven en eenmaal zalig te sterven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1951
Daniel | 12 Pagina's