II. Het Wezen Gods (k.)
Hoe werkt Gods Geest?
Wat het werk des Heiligen Geestes is, wordt in het kort zo treffend en kernachtig gezegd in onze Heidelbergse Catechismus, Zondagsafdeling 20, waar het heet: „opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve."
Het allereerste is dus: Christus deelachtig te maken en daarna pas de weldaden van Christus. Er zijn mensen, die het graag andersom zouden wensen. De weldaden, nl. de vergeving der zonden en de zekerheid van een toekomstig leven, lokken hen w r el aan, maar Christus te bezitten in hun harten heeft voor hen niets begeerlijks. Wie alzo roemt op de weldaden, maar Christus Zelf terzijde stelt, pleegt geestelijke diefstal. De Heilige Geest maakt eerst Christus deelachtig en daarna Zijn weldaden.
Wel is het zo, en laat ons dat niet vergeten, dat er voor de ontvangst van Christus in het hart van de zondaar plaats gemaakt moet worden. Ons hart toch is van nature gelijk aan de herberg van Bethlehem, waarin ook geen plaats voor Jezus was. Zodra de Heilige Geest echter Christus wil deelachtig maken aan het zondaarshart, begint Hij plaats te maken voor Hem, door alles uit te drijven, wat Zijn gezegende intocht in de ziel kan weerstaan.
De Heilige Geest ontdekt de zondaar aan zijn verloren toestand en maakt hem met zichzelven bekend. Onder Zijn overtuigende werking leert hij zichzelf kennen in zijn zonde en ellende. Bij het licht des Geestes ziet hij, dat hij in zichzelf een verloren en doemschuldige zondaar is, die naar Gods rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffen verdiend heeft. En maakt de Geest hem met zichzelf bekend in zijn verloren toestand, Hij leert hem, op Zijn tijd, ook Christus kennen als de enige en algenoegzame Zaligmaker. Hij vat hem a.h.w. bij de hand en leidt hem tot Christus en schenkt hem het ware geloof, om Hem als zijn Koning en Verlosser aan te mogen nemen. Zo bewerkt door de Heilige Geest geeft hij Zich in vol vertrouwen aan Christus over, om Hem tot een eigendom te zijn.
De Heilige Geest is ook een Trooster van het bedroefde hart. Hebben Gods kinderen geen behoefte aan vertroosting? Zij dragen er immers door genade het besef van om, dat zij arme, verloren zondaren zijn, die zich Gods oordeel hebben waardig gemaakt. Zij zien zich bij het licht des Geestes door de zonde losgerukt van God, Die toch de Bron en de Fontein is van alle zaligheid. Zij gevoelen in hun ziel zulk een leegte, die door niets in de wereld kan aangevuld worden; zij krijgen kennis aan hun rampzalige staat, die zij dan ook met hete tranen bewenen.
Stel daar nu eens de kinderen der wereld tegenover, Zij hebben geen kennis aan hun treurvolle toestand. Zij mogen misschien eens voor een ogenblik door hun ellende aangegrepen worden en tengevolge daarvan sidderen, maar dat ogenblik duurt niet lang en werkt geen onberouwelijke bekering tot zaligheid.
Maar met de kinderen Gods is het anders gesteld. Zij zijn door de inwerkende genade des Geestes wedergeboren; door die wederbarende genade ging hun zielsoog open, en kregen zij kennis aan hun zonde en ellende. Zij gevoelden zich in zichzelf rampzalig. En wie was het, die hen in die dieptreurige toestand troostte? De Heilige Geest! En Hij was geen nietige Vertrooster. Hij maakte hen met Jezus bekend als met de volkomen Zaligmaker, deed hen door het geloof tot Hem de toevlucht nemen en bearbeidde hen om zich geheel en al voor tijd en eeuwigheid aan Hem toe te betrouwen. En zo mochten zij in Hem hun volkomen zaligheid vinden. Dat is hun troost, beide in leven en sterven, het eigendom te zijn van hun getrouwe Zaligmaker Jezus Christus» Zij liggen nu voor Zijn rekening en zullen straks ook voor Zijn rekening sterven. En die Heilige Geest, die hen troost onder allerlei smart en druk, verzekert hen ook van het Eeuwige Leven. Hij laat het kind van God in beginsel wel eens iets smaken en genieten van de eeuwige gelukzaligheid. Zij krijgen dan een voorproefje van die ongestoorde, eeuwige zaligheid,
die eenmaal hun deel zal zijn; een zaligheid, die geen oog heeft gezien, geen oor gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen. Dat heeft God bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1951
Daniel | 12 Pagina's