JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zelfbedrog

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zelfbedrog

9 minuten leestijd

Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. (Gal. 6:3.)

Op zijn tweede zendingsreis heeft de Apostel Paulus in Galatië, de gezegende vrucht mogen zien op zijn arbeid. Het woord hetwelk hij verkondigde en zijn rijke inhoud Jezus Christus en Dien gekruisigd, is velen door Gods genade tot waarachtige bekering geweest. Zo werden er velen toegedaan tot de gemeente die zalig worden.

Doch na het vertrek van de Apostel waren er leraars gekomen die de Galatieërs zochten te bewegen om hun hope te stellen op de wet, en zo de prediking welke de Apostel gebracht had, nl. die van de rechtvaardigmaking door het geloof, en de vrijheid die alleen verkregen wordt uit genade, te miskennen. En dewijl dit bij vele Galatiërs ingang vond, kan de Apostel het niet nalaten hen te vermanen en te bestraffen en hen dan ook noemt „uitzinnige Galatiërs" en tot hen zegt: „Wie heeft U betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; dewelke Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder U gekruisigd zijnde? "

En met nadruk roept hij hen toe: „Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen." Zo gaat hij door en wijst op het misbruik der vrijheid, door vermaning en bestraffing op elkander te laten volgen.

Waarom hij evenwel niet zwijgt van de broederlijke liefde: „indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt de zodanige terecht met de geest der zachtmoedigheid enz."

En de Apostel die wel wist dat wij een hoogmoedig en bedriegelijk hart in ons omdragen komt dan met onze tekstwoorden.

Van nature menen wij iets te zijn, in ons leven komt dit openbaar, krachtens onze val in ons Verbondshoofd Adam, waar wij in het Paradijs in hoogmoed ons tegen God gesteld hebben, en gestaan naar het oppergezag om zelf heer en meester te zijn en uit te maken wat goed en kwaad is. En na ontvangen genade wordt de kerk des Heeren er aan ontdekt, dat een Koning Nebukadnezar nog niet gestorven is: Is dit niet het grote Babel wat ik gebouwd heb!

Hoe zeer ook te prijzen in onze levenswandel; menen wij niet iets te zijn, met ons kerkgaan, lezen, bidden en zingen enz.? Met onze werken menen wij iets bij God in rekening te brengen dat het de zaligheid zoude kunnen gelden. Zelfs Gods Volk dat uit genade zalig wordt, laat zijn ijver nog gelden, stelt zijn betrouwen op hun ervaring, hun gestalten en zielsverkwikkingen of op iets anders. Wordt het geen eeuwig wonder, waar de Heere het Zijn kinderen doet ondervinden in de weg van ontdekking aan zelfbedrog en alle droggronden, dat in Hem hun behoudenis is, en zij het door Zijn genade gaan beoefenen, dat Hij moet wassen, en zij minder worden ?

Menen iets te zijn dat is de mens, het vlees en zeker geen vrucht van de genade. Dat leeft in ons jong eni oud, klein en groot.

Zijn de Bijbelheiligen ons niet tot een voorbeeld? Om er maar een enkele te noemen. Als David in de zonde valt en het bekende spreekwoord in vervulling gaat: Hoogmoed komt voor de val; meende hij niet iets te zijn, toen hij op het dak wandelde? Door Gods genade moest hij het leren om niets te worden, toen hij iets was. En dan roept hij het uit: „Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd in mijn brullen de ganse dag, want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. David moest ondervinden dat de Heere woont bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is. En opdat hij in ootmoed smekend zou getuigen: Geen meerder goed, Heere! Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.

Ziet het in de Koning Hizkia, meende hij niet iets te zijn toen hij de schatten van zijn huis toonde aan de gezanten van Babel? En nog wel nadat de Heere zulke bemoeienissen en weldaden aan Hizkia bewezen had, om hem te genezen. Gods genade maakte hem niets; verenigde hem met Gods weg en het oordeel dat komen zoude over Israël; als hij, toen hij niets werd, zeide: Het Woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is goed.

En om er nu nog maar een te noemen, daar de voorbeelden met velen te vermeeixleren zouden zijn: Was de Apostel Petrus er van gezuiverd, meende hij niet iets te zijn, toen hij zeide tot Christus; Heere, wees U genadig: dit zal U geenszins geschieden? Wat heeft hij het door een smartelijke en een bittere weg moeten leren, niets te worden. Hij zal die donkere dag in zijn leven toen hij zijn Meester verraden heeft niet licht vergeten hebben; toen was hij iets. Maar door Gods verheerlijkende en opzoekende genade was hij niets, zoals hij later in zijn brieven schrijft: zijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

De Apostel kreeg een scherpe doorn in zijn vlees, opdat hij zich niet op de heilrijke openbaring Gods, zoude verheffen, en leerde dat Gods genade genoeg

was, om Zijn kracht in zwakheid verheerlijkt te zien. Zijn deze allen geen beschamend voorbeeld voor ons? En inzonderheid voor Gods volk, om in vreze te wandelen de tijd hunner inwoning.

Wij bedriegen ons in het gemoed, als wij menen iets te zijn; wij zijn met indrukken, een gemoedsaandoening, een consciëntie-beroering niet klaar, noch al spreken wij over de liefde Gods, zonder iets te weten van het recht, waardoor Sion gered wordt, noch wanneer wij de ontvangen genade en rechtvaardigmaking en heiligmaking stellen als grond voor de eeuwigheid. Dan bedriegen wij ons in het gemoed.

Maar wat de natuur niet leert, en in het hoogmoedige en bedriegelijke hart des mensen niet gevonden wordt, dat leert en doet Gods Geest ondervinden om van iets, niets te worden. Opdat God alles en zij niets, en zij alles worden in Hem. Gods volk kan in zichzelf voor God niet bestaan, maar alleen in Christus die hun van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Zulk een ziel leert door Gods Geest zijn verloren en verdoemelijke staat voor God kennen, daar hij een verbond met de dood en een voorzichtig verdrag met de hel gesloten heeft. Juist is het waar genade verheerlijkt is, de weg van al degene die niets worden, dat hun plichten en deugden voor God zijn als een wegwerpelijk kleed, hun beste wei-ken in het licht van Gods heiligheid blinkende zonden zijn en zij tot hun zaligheid niets kunnen toe doen. O dat wordt aan hunne zijde onmogelijk, w r aar zij gemeend hadden iets te zijn en nu niets te worden om uit vrije genade zalig te worden door Hem die voor Zijn volk alles geworden is, in Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, die Zich vernedert heeft tot de dood des Kruises en kon zeggen leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nedrig van hart. Wat is het een voorrecht, als de Heere ons ontbloot van alles waarbij wij niet leven kunnen, en alle denkbeeldige gronden ons ontvallen. Als de behoefte in de ziel ontstaat met de uitroep: is er nog een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Om van iets in het niet te komen, is de weg niet anders dan met verlies van ons leven Hem te mogen vinden in Zijn algenoegzaamheid, dierbaarheid en gepastheid, Die voor dezulken bovenal noodzakelijk wordt, om in Hem gevonden te worden.

In het niets te zijn, uit Hem te leven, Zijn lieve gunst te proeven en te smaken, en door Zijn genade verootmoedigd te wandelen in de dadelijke geloofsgemeenschap ligt het ware geluk van Gods kinderen. Dit is toch de vrucht van het nieuwe leven, dat zich in beginsel reeds openbaart in een droefheid naar God die een onberouweiijke bekering werkt tot zaligheid, met een levendig inzicht in de waarheid van Gods deugden, doordat het stenen hart is weggenomen en een vlesen hart geschoken is; en waar de zondaar komt in het niet van een verbroken hart en een verslagen geest.

Dit heeft de verstgevorderde in de genade steeds nodig om door Gods Geest gebracht op die plaats, niets te worden en ook niets te blijven, zullen zij de levendige invloeden van 's Heeren gunstrijke tegenwoordigheid genieten.

Hoe is het menigmaal anders met Gods volk gesteld. Daar is zoveel waar zij het oor en hart naar lenen. Wat kan de zonde de ziel van des Heeren volk nederdrukken, de bitterheid van de zonde hen van alle troost beroven. Daarbij het verheffen op de ontvangen genade, waar het oog maar al te zeer gesloten is voor Christus die toch de bron is van alle genade, om door het geloof in ootmoed uit Hem te putten genade voor genade. Wij zouden voort kunnen gaan; maar welk een dierbaar goed is deze genade die de ziel doet beoefenen om tot de laatste ademsnik maar niets te blijven, opdat dan de bede van Jacob onze ziel vervulle: Op uwe zaligheid wacht ik Heere.

Wat een nauw onderzoek is er nodig voor ons allen, waar de Apostel in onze tekstwoorden spreekt van zelfbedi-og, om te beproeven de geesten of zij uit God zijn. Want Ezau zocht ook de plaats des berouws, maar vond deze niet. Saul met een ander hart en met de uitroep: ik heb gezondigd, miste het ware berouw en de verbrokenheid des harten, en viel in zijn eigen zwaard. De vernedering van een Achab was ook niet de ware. En een Judas met de uitroep: , , ik heb verraden onschuldig bloed", komt niet van iets in het niet. In het algemene werk is niet de ware verootmoediging en vernedering, zoals Gods genade het doet ondervinden om laag voor God te bukken en hoge gedachten van de Heere te hebben en nietig van zichzelf te denken.

Jongelingen en jongedochters en ouderen, zowel rijk als arm, mocht dit woord ons in onderzoek brengen.

Want het zal wat zijn als wij straks bedrogen uitkomen. Gemeend iets te hebben en dan voor eeuwig verwezen te worden naar de plaats van as en wee.

Van nature bedriegen wij ons, dat is onze staat, rnaar de Heere beware ons nog voor zelfbedrog, door de verheerlijking Zijner Genade in onze harten, en brenge ons in het rechte onderzoek en vervulle onze harten met de bede van David uit Ps. 139:

Doorgrond mij o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten; en zie, of bij mij een schadelijke weg en leid mij op de eeuwige weg.

Ds M. HEERSCHAP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1951

Daniel | 12 Pagina's

Zelfbedrog

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1951

Daniel | 12 Pagina's