Zijner handen werk(27)
DE WIJNGAARD
Een wijngaard eist veel zorg en bearbeiding. Het is maar niet zo, dat men zorgt voor nieuwe loten en dan alles maar aan zijn lot overlaat. Minstens eenmaal, maar dikwijls drie maal per jaar wordt de wijn gaart! tussen de struiken omgeploegd, terwijl voortduiend gewied moet worden. Bij goede behandeling geven de jonge struikjes in het tweede jaar reeds vrucht en in het vierde jaar reeds een volledige oogst. Na de bloei worden de struiken goed nagezien, gezuiverd van ongedierte en de waterloten worden afgesneden.
De oogst is meestal zeer rijk. Trossen van 60 cm lengte zijn geen zeldzaamheid. Zo'n tros kan wel 16 pond wegen. Zo'n vruchtbare wijnstok is voor de Psalmist een beeld van huwelijkszegen. Zo wordt in Ps. 128 de vrouw getekend als een vruchtbare wijnstok: „Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis, "
Aanvankelijk zijn de druiven evenals andere onrijpe vruchten zuur, later worden ze zoet. Bemerkte men dat, dan kon men dikwijls in en rond de wijngaard het oogstliedje horen zingen: „Verderf ze niet, want er is een zegen in." De aanhef van dit oogstliedje vindt men in de Bijbel boven Ps. 57, 58, 59 en 75. Daar vindt men het woord Al-tascheth. Door de Statenvertalers is dit Hebreeuwse woord onvertaald gelaten, maar het betekent: Verderf niet. Met Al-tascheth wordt dus aangegeven, dat deze psalm gezongen moest worden op de melodie van dit lied in de wijngaard.
Als de druiven geplukt zijn, gingen ze naar devv\jnpersbak.
Deze bestond uit 2 bakken in de rots uitgehouwen, de ene wat hoger dan de andere, maar door een buisje staan ze met elkaar in verbinding. De hoogste is ongeveer 4 m in 't vierkant, de onderste heeft een inhoud van plm. 1 m.3. De druiven worden nu in de hoogste bak gedaan en dan worden ze „getreden", d.w.z. men perst ze uit, door er met de blote voeten in te gaan lopen. De uitgeperste wijn stroomt dan door het buisje naar de onderste bak en daarin laat men ze gisten. Wil men nu de wijn in leren zakken of aarden vaten scheppen, dan moet ze eerst door de wijnzeef stromen om de droesem er uit te halen. Het moeten drinken van een glas wijn mèt de droesem, is een straf. „Want in des Heeren hand is een bekex\ en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken." (Ps. 75 : 9). Geheel anders klinkt Ps. 116 : 13: Ik zal de beker der verlossing opnemen, en de Naam des Heeren aanroepen."
De aldus verkregen wijn, de „reine wijn", smaakt heerlijk fris en bevat weinig alcohol. Men maakte echter ook een drank, die bestond uit wijn, honing en peper, de gekruide wijn met een hoog alcoholgehalte. Hierop doelt David in Ps. 60 : 5: Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmel wijn."
Behalve deze twee soorten had men ook nog de „koppige" wijn, de sterke drank. „Die in de poort zitten, klappen van mij en ik ben een snarenspel dergenen, die sterke drank drinken." Ps. 69 : 16.
Uit de wijn werd in Israël ook azijn verkregen. Het is kwellen en plagen, om aan een dorstige azijn in plaats van wijn te geven. Het is David, die hierover klaagt: Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben ze mij edik (= azijn) te drinken gegeven. (Ps. 69 : 22.)
Druivehhoning werd ook uit druivensap gemaakt door er weke kalksteen door te mengen en het mengsel een nacht te laten staan. De volgende dag schept men het af van de gezonken kalk en kookt het zolang, tot het voldoende stijf is geworden. 4
Kozijnen zijn ook wijndruiven. Om ze te krijgen doet men ze in water, waar loog en olie door gemengd is. Daarna legt men ze een tiental dagen in de zon te drogen. Soms dompelt men ze nog eens in het mengsel. Zijn ze goed ingedroogd, dan kunnen ze lang bewaard blijven.
God geeft de wijn, tot vreugd voor 't hart bereid, En d' olie, die een glans op 't aanschijn spreidt, En 't lieflijk brood, dat onze kracht moet voeden; Hij wil ons dus verkwikken en behoeden, 't Is God alleen, die door Zijn sterke hand Den Libanon met cederen beplant, 't Geboomte voedt en kracht schenkt onder 't kweken Aan 't Iomrig woud, aan schaduwrijke streken.
W. VAN DIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1951
Daniel | 12 Pagina's