Devaluatie
Dit woord is ons allen bekend.
Wie vreest niet voor een nieuwe devaluatie van onze gulden?
Toch bedoelen we deze keer een andere devaluatie.
Waarvoor we veel te weinig huiveren.
Hoewel haar gevolgen erger zijn.
Dat is de devaluatie van het ambt, van het gezag.
Wie de gesprekken beluistert over dominees, ouderlingen en diakenen onder velen van onze jonge mensen, constateert deze ontstellende devaluatie.
De gebreken worden uitgestald.
Om nog maar te zwijgen van hen, die (zelfs onder het gebed) de spot drijven met de voorganger.
Eén van de oorzaken is ongetwijfeld dat we personen zien in plaats van ambtsdragers.
Dat deze ambtsdragers zonden en gebreken hebben, wordt zelfs door de catechismus niet ontkend. (Zondag 39.)
Maar wij hebben hen te achten.
Niet om hun persoon allereerst.
Doch meest om huns ambts wil.
Onze Geloofsbelijdenis zegt dit in artikel 31.
„Dat een ieder de Dienaar des Woords en de Ouderlingen der kerk in bijzondere achting behoort te hebben, om des werks wil dat zij doen."
Het bevestigingsformulier spreekt over „hen in ere houdende om hun ambts wil."
En Paulus schrijft dat de ouderlingen die wel regeren dubbele eer waardig geacht worden. (1 Tim. 5 : 17.)
Het is dus duidelijk dat wij, óók in onze gesprekken, de ambtsdragers hebben te eren.
Doen we dit niet, dan tasten we het gezag aan.
Dat gezag hebben zij van zichzelf niet.
Doch God heeft hen er mee bekleed.
Wanneer wij het zó zien, denken we de persoon weg en zien de ambtsdrager, waar God Zélf achter staat.
Dat eist gehoorzaamheid.
„Behoorlijke" gehoorzaamheid (cat. antw. 104.)
Aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren. Zijt uw voorgangers gehoorzaam en onderdanig want zij waken voor uw zielen als die rekenschap geven zullen: pdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig. (Hebr. 13 : 7.)
Slechts twee voorbeelden, waarin de Bijbel ons de betekenis laat zien aan het gezag. Het eerste tijdens Elisa:
sa: „Als hij nu de weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad, die bespotten hem en zeiden: Kaalkop ga op, kaalkop ga op!
En hij keerde zich achterom en hij zag ze en vloekte ze in de naam des Heeren: toen kwamen twee beren uit het woud en verscheurden van hen twee en veertig kinderen." (2 Kon. 3.)
Het tweede in Noachs dagen, (Gen. 9):
„Toen namen Sem en Jafeth een kleed en zij legden hen op hun beider schouders en gingen achterwaarts en bedekten de naaktheid huns vaders, (vs. 23)
„Voorts zeide hij (Noach): Gezegend zij de Heere, de God van Sem (vs. 26a). God breide Jafeth uit en hij wone in Sems tenten (vs. 27a.)" Het laatste vertelt ons hoe Sem en Jafeth hun vader blijven eren, óók als die zichzelf niet eerbiedigt. Tevens hun zegen.
Het eerste tekent ons de devaluatie.
En haar gevolg. Zij het ons tot lering!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1951
Daniel | 12 Pagina's