JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

J. Slauerhoff (1898-1936)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. Slauerhoff (1898-1936)

Het Boegbeeld

6 minuten leestijd

TUSSEN TWEE WERELDOORLOGEN

Een typisch kind van deze tijd is de dichter geweest, wiens naam hierboven staat. Hij werd een jaar eerder dan Marsman geboren (in 1898) en stierf in 1936, vier jaren vóór Marsman verongelukte. Om zijn werk enigszins te vatten, moeten we iets uit zijn leven weten. In Leeuwarden geboren, bezocht hij daar de h.b.s., en ging toen in Amsterdam medicijnen studeren. Als scheepsarts voer hij op de Java-China-Japanlijn, was scheepsdokter bij de Kon. Holl. Lloyd en ook nog bij andere maatschappijen, zodat hij de meeste zeeën heeft bevaren.

Slauerhoff, wiens werk het was de zieken te behandelen, had zelf een slechte gezondheid. Enige malen had hij een langdurig ziekbed. Korte tijd vestigde hij zich in Tanger (Frans Marokko) als praktiserend arts, maar dit verblijf in Noord-Afrika schijnt funest geweest te zijn voor zijn zwak gestel. Teruggekeerd in Holland, stierf hij de 5de October 1936 te Hilversum.

Slauerhoff was een zwerver. Zijn werk als scheepsdokter bracht dat eensdeels mee. Maar het zwerven zat hem in het bloed. Er is in zijn werk een zoeken naar avontuur, maar hetgeen nog niet is ontdekt; een voortjagen naar het onbekende. De dichter is een rusteloze, die het telkens elders tracht te vinden en nooit tot de ware rust komt. Hij zwerft weg van het kalme burgerlijke bestaan. Hij kan moeilijk zich ergens vestigen voorgoed.

Ditzelfde streven vinden we ook bij vele van onze jonge mensen. Weten we niet, hoe vele militairen, uit Indonesië teruggekeerd, het zo moeilijk konden wennen thuis? Ook de jongens, die een tijdlang in Duitsland hadden vertoefd? Het ouderlijk huis was te eng, het dorpje te benauwd, in de kerk was 't zo bekrompen! Zo zien we vaak bij onze jongelingen, dat ze niet weten wat ze willen: in de militaire dienst was het: „was ik maar thuis!" Thuis gekomen is het: „Geef mij de diensttijd maar!" En nu brengt de leeftijd die rusteloosheid wel mee, maar het is toch ook een kenmerk van deze tijd: de zucht naar avonturen, het uitzien naar iets nieuws dat gebeuren gaat. Als alles zo gewoon en rustig zyn gang gaat, dan komt de verveling, de sleur. Geen wonder dat er in deze tvjd zoveel at-

tracties moeten zijn, om de losgeslagen mensheid te bevredigen, iets te geven dat de sleur wegneemt; maar veelal worden stenen voor brood voorgezet. Augustinus wist van die rusteloosheid ook mee te spreken, maar hij vond tot zijn onuitspreeklijk geluk de rust voor zijn ziel in God. Hoe profijtelijk zou het zijn als onze onrust ons bracht op de ware plaats, waar alleen de rust kan gevonden worden.

Slauerhoff heeft in zijn korte leven verscheidene dichtbundels geschreven. Hij is echt een dichter van de zee. Telkens komen beelden van het zeemansleven naar voren.

In zijn eerste bundel Archipel (1923) begint hij met een groot gedicht Het Boegbeeld: De Ziel. Het beeld op de boeg, die zich aan de kop van het schip bevindt, is hijzelf. Hij wordt voortgedreven over de grote zeeën. Hij beschrijft niet een zeereis en wat daarbij zoal is op te merken, maar het is zijn leven, dat hij uitzegt. Hoor maar:

Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor de boeg, De scheepsromp achter mij te moeten volgen; Mijn zegetocht over knielende golven Aan 't schip te moeten danken, dat mij droeg.

Wel leef ik 't zwerven liever dan het vaster Land'lrjk geluk, dat wortelt als een boom In één trouw, voor één einder; mijn driemaster Draagt mij de drift in iedrer wereldstroom.

Liefkozingen van alle golven schuimen Over mijn borst en bevlekken mij niet. Volgenden reinigen van voor'gen, zij ontruimen Mij snel, mijn vreugd blijft vrij van hun verdriet.

Ik zal nooit van een houden, zij zijn allen Even witwoedend, even snel weer grijs. Ik lok, zij strelen, laat ze los, zij vallen In met het koor, dat sterft achter mijn reis.

Mijn leven is nu eenmaal niet anders: ik moet met de scheepsromp mee; ik word voortgeduwd, de onzekerheid in. Het schijnt een zegetocht te zijn (zingend door 't leven te gaan), immers de golven knielen voor mij, voor het boegbeeld. De golven rollen aan en duikelen onder mij door, ze buigen diep.

Het geluk op het land is standvastiger, geworteld als een boom. Daar is één trouw, het één-zijn met de aarde, met een eendere, nooit veranderende horizon. Maar nu, de driemaster voert mij overal, over heel de wereld, met telkens andere uitzichten.

Het is of al de golven mijn borst strelen zonder mij te bevuilen. De golven wassen elkander en vlugzijn ze weer van mij vandaan; ze kunnen mij niet deren, ze kunnen mijn vreugde niet wegnemen.

Al de golven gelijken op elkaar; even wit van woede en straks weer egaal grijs. Het is of ik ze roep, ze strelen mij, maar ik houd ze niet vast, en achter mij ruisen ze weg in het spoor van mijn reis.

Zó is het leven van de dichter: hunkerend naar iets nieuws, naar het ongeziene, maar toch geen bevrediging vindend. Ziehier het beeld van de moderne mens. De dichter wil de aarde ontvluchten en zich werpen in de wijde zee en alles achter zich laten, maar dat gaat niet. Denkt hij een ogenblik alleen te zijn, met de stilte in de wijdheid van lucht en zee, dan is toch nog iets van de wrangheid van de aarde achter gebleven en ziet hij, dat hij geen reine is of kan zijn. Dit zegt hij in de volgende strophen:

„En houd ik mij hardnekkig in extaze Bóven gesternten diep in zee gezonken, Dan hoor 'k 't aanklevend schuim der aarde razen: Vlak achter mij liggen matrozen dronken.

Zo dronk ik schoon en schande in een teug. Stijgt mij de roes der reine hemeldriften, Dan werkt besef van laag bestaan als gift en Proef ik zo wrang, dat 'k niet voor engel deug."

In grote verrukking staart de dichter in de diepte der zee, waarin hij de sterren ziet schijnen. Hij is nu boven de sterren, ver van de aarde in zijn verbeelding. Maar dan hoort hij het lallen en tieren van zatte njatrozen en zo wordt hij in hetzelfde ogenblik (één teug) bekend gemaakt met de schoonheid en de schande; eensdeels de verrukking, anderdeels de bittere smaak van de lage afkomst.

Eigenaardig, dat Gods voik hetzelfde gewaar wordt:

Ik wist niet, dat mijn reine ziel Zoveel van 't aardse overhiel".

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's

J. Slauerhoff (1898-1936)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's