JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

W. à Brakel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

W. à Brakel

4 minuten leestijd

(5.)

In de dagen van Brakel was de toestand in de Nederlandse kerk niet bepaald rooskleurig te noemen. Niet ten opzichte van de leer, maar ten opzichte van de wandel. Het zedenbederf nam hand over hand toe in de kerk en de kerkelijke tucht werd ook niet voortdurend gehandhaafd. Vooral de Labadisten vielen hierom de kerk hevig aan, ja, verbraken zelfs het kerkverband.

Ook Brakel heeft, mede door de verdorvenheid der kerk, een tijdlang tot het Labadisme overgeheld. Later is hij daar geheel van teruggekomen. In zijn „Brieven" heeft hij daar veel over geschreven. In de eerste brief schrijft hij: „Vóór dertien jaar, op mijn standplaats Stavoren was ik zeer genegen, mij met de Labadisten te verenigen. Om die reden begaf ik mij nu en dan naar Amsterdam en sprak meermalen met Juffrouw Schuurmans, die mij al lang een aangename zielsvriendin was, en met Monsr Menuret. Ook openbaarde ik in een lang gesprek aan Monsr De Labadie zelf mijn genegen-

heid, doch zeide dat ik niet blindelings kon volgen, maar uit Gods Woord de waarheid moest verstaan. Zijn vele redenen voldeden mij evenwel niet. Eindelijk gaf hij mij de raad, een maand of nog langer in eenzaamheid door te brengen, God te bidden, de Evangelisten te lezen en mij van preken te onthouden. Als ik hem voorhield, dat dit laatste niet aanging, stond hij toe, dat ik preekte niet als herder, maar als iemand die goede vermaningen geeft. Ik volgde zijn raad met grote lust.

's Morgens vroeg ging ik naar mijn hof, bleef er de gehele dag tot 's avonds laat, vastte, bad, smeekte om de wil Gods te verstaan en las in de Heilige Schrift. Na verloop van een geruime tijd deed de Heere mij uit Zijn Woord zeer klaar zien, dat ik in de rechte weg was en dat hun weg een afwijking was van de waarheid. En als mijn genegenheden sterk werden om er heen te gaan en ik in mijn gebeden als consent verzocht, „zo openbaarde de Heere mij al klaarder Zijn weg en wil, totdat de Heere mij, die nog al aanhield, bestrafte, alsof de Heere zeide: heb Ik het u niet geopenbaard? Waarom houdt gij dan nog aan? Daar dit meermalen gebeurde, durfde ik op het laatst niet meer bidden, maar ik besloot volkomen en vrolijk, in de kerk en in mijn dienst te blijven en dankte de Heere hartelijk voor de openbaring van Zijn wil. En ik dank nog de Heere van ganser harte, dat Hij mij 'voor die kwade stap bewaard heeft; de Heere doe zo aan allen, die in deze slingeren en Hem in ware gelatenheid om raad aanroepen.

Sedert die tijd heb ik naar hun leer en leven naarstig vernomen. Met dat doel reisde ik naar hen, die voor enige tijd met hen verkeerd hadden, hen ook wel in mijn huis ontvangende en herbergende en verzocht hun, die hen gingen bezoeken, naar 't een en ander te willen vernemen.

Toen zij van Altena in Friesland kwamen, ontstond er een grote beroering in de gemeente van Harlingen, alzo velen zeer aan het slingeren waren; ik kreeg brief op brief, dat ik hen onderrichten wilde. Ik voor mijzelf wel bevestigd zijnde, was nog niet sterk genoeg om anderen te waarschuwen.

Ik begaf mij wederom tot vasten en bidden en onderzoeken; waardoor ik zo versterkt werd, dat ik met alle ernst getuigenis gaf, dat zij dwaalden. Zodat ik nu tegen hen getuigen zou, al zou ik zo aanstonds voor de rechterstoel van Christus verschijnen. God verlichte u, dat gij het niet zoekt, daar gij gevaar loopt voor uzelf en Christus' kerk nadelig zijt."

Uit het bovenstaande gedeelte uit Brakels „Brieven" blijkt dus wel overduidelijk, dat Brakel aanvankelijk sympathie had voor het Labadisme, maar ook, dat hij door de Heere daarvan is teruggebracht.

Doch had Brakel dan geen open oog voor de verdorvenheid der kerk? Zeker wel, hoort maar: „Het heeft de Heere beliefd van het begin der wereld af tot op deze huidige dag, Zijn kerk zeer verdorven te laten op deze wereld. Paulus verklaarde de gemeente van Corinthe vleselijk, wegens haar tweespalt. In de gemeente van Galatië waren, die afgesneden moesten worden, maar er evenwel nog in bleven. Leest toch eens de brief van Judas en gij zult zien, hoe deerlijk de gemeente gesteld was.

Wat zullen wij van de kerk, die zo verdorven is oordelen? Zullen wij zeggen, dat zij om haar verdorvenheid der kerk van Christus niet meer is? Zullen wij haar verachten? Zullen wij er uit lopen? Neen, dat is dwaasheid!"

Men mag de kerk niet verlaten, zolang niet overstromende fundamentele dwalingen slechts enige waarheden, die niet zaligmakend zijn, hebben overgelaten. Dan eerst houdt een vergadering op, een kerk te wezen. (Red. Godsd. Deel I.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's

W. à Brakel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's