Zijner handen werk (26)
DE WIJNGAARD
In oude tijden was Kanaan het wijnland bij uitnemendheid. Dat zou men nu niet meer kunnen zeggen, want hele gebieden zijn er thans te vinden, waar geen wijndruif meer groeit, terwijl we door de zeer verhelderende opgravingen te weten zijn gekomen, waar vroeger overal wel wijngaarden gelegen hebben, bv. in het Zuiderland, waar thans de Bedoeinen rondzwerven. Dat bewijzen nog de terrassen op de hellingen der bergen. Het Haurangebergte in het Overjordaanse was eveneens een voortreffelijk wijnland, want bekijkt men daar aandachtig de ruïnes, dan zal men dikwijls aantreffen, dat op deze vervallen bouwwerken uit een roemrucht verleden stenen versieringen zijn aangebracht, die vaak bestaan uit druiven en ranken.
Algemeen is men de gedachte of de mening toegedaan, dat een wijngaard tegen een berghelling werd aangelegd aan de zuidkant, zodat de zon er heerlijk op schijnt en de druiven lekker rijp stooft, zodat door de profeet gezegd kon worden, dat „de bergen van zoete wijn dropenh" Al mag dat nu meestal het geval zijn, toch hebben we bewijzen in handen, dat ook de vlaktes ervoor gebruikt werden, bv. in het land van Gennesareth en in de vlakte van Saron, waar vroeger zelfs een soort wijnkelder moet geweest zijn.
We kunnen dus wel de conclusie maken, dat overal in het „Heilige" Land wijnstokken waren aangeplant. „Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft. De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods. Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee en zijn scheuten tot aan de rivier." (Ps. 80 : 10—12)
Wanneer men een wijngaard aanlegde, was men zonder meer niet klaar, als de wijnstokken geplant waren, want de wijngaard moet bovendien zo aangelegd zijn, dat hij gemakkelijk verdedigd en beschermd kan worden. Daarom bouwt men er een
muur
omheen. Deze muur, die ongeveer anderhalve meter hoog is, wordt gemaakt van los op elkaar gestapelde stenen. Meestal was op deze muur dan nog een dikke laag doornen aangebracht. Dit was nodig tegen dieren en mensen. Vooral vossen en beren zijn verzot op rijpe druiven. „Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze wijngaarden hebben jonge druifjes. (Hoogl. 2 : 15) Dit zijn dezelfde vossen, die in de droge tijd ook een groot gevaar zijn voor de graanvelden en de meloenentuinen. Volgens deskundigen wordt met „vossen" in de Bijbel een klein soort jakhalzen bedoeld.
Behalve deze muur om de wijngaard wordt er in de wijngaard nog een
toren
gebouwd. „En Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelf midden een toren gebouwd en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht." (Jes. 5 : 2.)
Deze toren is ongeveer vijf meter hoog, zodat men een mooi uitzicht over de hele wijngaard heeft, wanneer men er op staat. Vaak bestaat die toren slechts uit houten palen, soms is er alleen een stenen voetstuk, met daarop de palen, dan weer is hij helemaal van steen opgetrokken. Wanneer nu de oogsttijd nadert, wordt bovenop die toren een hut gebouwd van stro met een dak van riet of bladeren. Moeten nu de rijpende vruchten bewaakt worden, dan woont men dikwijls met de hele familie in die toren. In deze tijd wordt het leven vrolijk opgenomen. Dikwijls gaat men 's avonds op bezoek bij een familie, die tijdelijk in een naburige wijngaard woont. Zo iets kan natuurlijk alleen in vredestijd. Het wonen in de wijngaard is een beeld van rust: Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des Heeren der heirscharen heeft het gesproken." (Micha 4 : 4) „Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder de wijnstok en tot onder de vijgeboom." (Zach. 3 : 10.)
Deze beide teksten brengen ons haast vanzelf bij een ander punt. Het moet nl. een ieder opvallen, dat zowel Micha als Zacharia als in één adem de wijnstok en de vijgeboom noemen. Wat hebben die twee planten met elkaar uit te staan ? Deze vraag zullen we thans trachten op te lossen.
De wijnstokken worden op drie verschillende manieren verbouwd:
1. Men laat de wijnstokken eenvoudig over de grond kruipen en slingeren. Zo doet het de eenvoudige boer.
2. De kolonisten van thans binden de planten op aan stokken. Door snoeien zorgt men er voor, dat ze niet hoger dan ongeveer een meter worden met het oog op de pluk van de druiven. Als de plant later sterk genoeg is, wordt de stok weggenomen.
3. Dikwijls ontbreekt in de wijngaard de vijgeboom niet. De stammen! van de vijgebomen doen dan dienst, om de wijnstokken langs te laten groeien. Dit is bovendien nog voordelig ook. Ook in Indonesië pasten onze ingenieurs deze „onderbouw" toe. Zo komt het dus, dat wijnstok en vijgeboom vaak in één adem in de Heilige Schrift genoemd worden.
Nieuwe wijnstokken verkrijgt men door het zgn. „afleggen." Een lot legt men over de grond en bedekt dit, behalve het voorste stuk, met aarde. Wat onder deze aarde zit, vormt nieuwe wortels. Zijn die voldoende gegroeid, dan snijdt men het lot los van de moederplant, en bij de aldus verkregen nieuwe plant plaatst men een stok. Het lijkt dus wel een beetje op onze aardbeiplanten.
Hij heeft zijn wortels uitgeschoten; De bergen werden door zijn loten Als waren 't ceed'ren overdekt, Hij heeft zijn ranken uitgestrekt, In zijnen bloei en frissen staat, Tot aan de zee, tot aan d' Bufraat. (Ps., 80 : 7)
W. VAN DIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951
Daniel | 12 Pagina's