JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

6 minuten leestijd

De Prins haastte zich naar Holland. Veel gevaren dreigden op dit kritiek moment. Moedeloosheid kon zich van het volk meester maken, zodat men maar zou toegeven.

Leidens 2e beleg (26 Mei—3 Oct. 1574). Na het treurspel van Mook keerde Valdez naar Leiden terug.

Het had de Leidenaars heus niet aan goede raad ontbroken van de zijde van de Prins. Deze had geadviseerd voedsel op te nemen en de schansen te vernielen; wel begrijpend, dat, als de boel bij Mook misliep, de Spanjaarden zouden terug keren. Natuurlijk was er niets gedaan en konden deze hun schansen weer betrekken!

Het is dan ook te begrijpen dat Valdez de snorkende woorden sprak. „Eer zullen de Leidenaars met de handen aan de sterren reiken, dan dat enige macht de stad uit onze handen zal verlossen."

Toch is dit geschied. Maar dat heeft niet enig mens, doch God gedaan. Wij moeten hier spreken van een wonder Gods. Indien Hij niet had ingegrepen, de strijd had overgenomen, het ware met Leiden en Holland gedaan geweest.

Aanvankelijk was er moed, het besluit van het eendrachtig weerstand bieden. Maar dit veranderde toen honger, pest en ellende de stad binnen kwamen en de ijzeren ring met geen mogelijkheid kon doorbroken worden. Toen werd het roerig daar binnen en de grote mannen als burgemeester Van der Werf c.s. hadden de grootste moeite het roer recht te houden.

't Waren vooral de Roomsen, verreweg in de meerderheid zijnde, die aandrongen op onderhandelen met de vijand, „Glippers", d.w.z. nederlandse overlopers, deden het hunne er bij. Men spotte met de ontzetpogingen.

De Prins zat niet stil. Hij begreep: er moest snel gehandeld worden.

Op 1 Juni kwamen dan ook de Staten te Rotterdam in vergadering bijeen, om over de maatregelen tot ontzet te spreken. Deze vergadering bood bij ogenblikken een treurig beeld en dat met de sterke vijand op haar bodem. De Prins moest zelfs dreigen het land te zullen verlaten, indien de geldelijke bijdragen niet wat beter binnen kwamen.

Allereerst werd gesproken over een aanval op de spaanse schansen. Maar dat bleek een onmogelijkheid: de Geuzen waren, de ervaring had het geleerd, te land niet opgewassen tegen hun vijand.

Het enige, dat overbleef, was inundering. Reeds had de Prins een ontwerp dienaangaande laten maken: Maasland en Rijnland onder water zetten.

De Maas-en IJseldijken waren nog in ons bezit. Stak men deze door dan liepen genoemde landen onder. Een vloot van platboomde vaartuigen, bemand met Hollanders en Zeeuwen onder aanvoering van admiraal Boisot zou de polders binnen dringen, een aanval op de schansen doen en trachten de vijand het water in te jagen.

Het verzet tegen dit plan was hevig en dat was trouwens te begrijpen. En toch: het was de enige mogelijkheid, die overbleef. Viel Leiden, dan was toch alles verloren.

Men besloot dan ook overeenkomstig het voorstel van de Prins te inunderen en de Geuzenvloot te doen oprukken.

De inundatie had plaats in Augustus. Maar of alles ook tegen moest lopen, de vloed kon door de voortdurende Oostenwind het water niet bij Leiden krijgen: de stad en naaste omgeving bleven droog. Zonodig kon de vijand langs enkele droge wegen zich naar Den Haag, Utrecht en Haarlem bewegen.

Tot overmaat van ramp werd de Prins binnen Rotterdam zwaar ziek. De tobberijen werden hem te machtig.

De geneesheren bereidden hem al voor op zijn naderend einde. Zelfs ging het gerucht van zijn overlijden al rond. Maar wat gebeurt? Men brengt hem de tijding, dat Leiden het nog houdt en dat was waarlijk goede medicijn: van stonden aan begon de Prins te beteren en wij mochten hem, de ziel van de tegenstand, behouden.

Hoe de Heere waakte over onze landen, blijkt niet alleen uit dit feit, maar ook uit het volgende.

Requesens (we weten, hij was ook admiraal) had er op aangedrongen in Spanje een vloot te bouwen. Deze was juist gereed om naar de Nederlanden te vertrekken. Er brak echter onder het scheepsvolk een epidemie uit en 7000 man stierven. Van de expeditie kwam niets.

Haif September was de Prins beter. Hij schreef eigenhandig een bemoedigende brief aan de Leidenaars.

Maar toch zou het niet lang zo kunnen blijven. De Geuzen waren nu aan de landscheiding van Rijnland gekomen. Hoe er echter over te raken?

Toen heeft de Heere ingegrepen. Op 29 Sept. kwam er een Vliegende noordwester met springtij, overgaande in een zuidwester, die het water de dijkgaten indrong, de Geuzen in staat stelde de landscheiding te passeren en de stad te naderen.

Toch bleef Boisot bezorgd. Telkens keek hij in de richting van Leiden; ook nog op 2 Oct. Ja, de vlaggen stonden nog op toren en molenwieken: de stad hield het nog.

Maar ook de belegerden zagen uit naar de Geuzen: hoorden het kanongebulder.

Hoe het die uitgehongerde mensen in de morgen van 3 Oct. te moede was, toen er geen vijand meer was te bespeuren: ook de grote schans Lammen was verlaten.

Het is voor de inwoners een vreugdedag geworden en zal het blijven; bovenal een dag van innige dankbaarheid aan de Heere God.

De Geuzen begonnen direct met de voedseluitreiking en toen men verzadigd was ging het kerkwaarts.

En als de zang werd aangeheven verstikten veler tranen de stem. Terecht is opgemerkt, dat er nooit zo slecht en — nooit zo goed gezongen is!

Dadelijk ging er een bode naar de Prins te Delft. Hij deed juist zijn eerste kerkgang. De predikant moest het blijde bericht aan de gemeente meedelen en sprak daarna een vurig dankgebed uit.

De Prins kon niet wachten; hij moest de dappere inwoners zien en spreken. Reeds de volgende dag was hij in hun midden en verbleef er tien dagen.

In de regering der stad bracht hij een „zuivering" aan, wat w r aarlijk wel nodig was, zoals wij gezien hebben. Voor Valdez zat er nog een onaangenaam kantje aan: zijn soldaten sloegen aan 't muiten, namen hem en veel officieren gevangen, kozen zelf een aanvoerder en trokken naar het Sticht. Holland was vrij!

Op 8 Febr. 1575 ontving de stad voor haar kloeke standvastigheid een beloning nl. een calvinistische hogeschool, de tegenhanger, zoals zeker schrijver het noemt, van de roomse hogeschool van Leuven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1951

Daniel | 12 Pagina's