JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

(43.) H. Marsman. Angst en somberheid

In het werk van de dichters van de jongste tijd vinden we de weerspiegeling van wat bij het gros der mensen leeft. De tijd, waarin we ons nu bevinden, wordt gekenmerkt door onzekerheid, levensangst, een aanvoelen van komende conflicten onder de volken; alles is schier van zijn fondament afgezakt, en daardoor staat alles zo wankel. Het gevolg is, dat we spreken van een nihilisme, dat bij velen zo de overhand heeft gekregen: wat kan het ons schelen wat er van de wereld terecht komt; er deugt niets van al het bestaande, wèg ermee!

Aan de andere zijde bemerken we een streven naar het verkrijgen van een betere wereld, een geluk, dat in de toekomst verborgen ligt en deze gedachte, deze toekomstdroom, doet weer opveren uit de neerslachtigheid door het grimmige heden.

Het kennen en kunnen van de moderne mens is schier onbeperkt. De mens staat voor niets meer. En toch waar is het vredig leven, waar het genoeglijk samenzijn? Is er rust op deze voortjagende wereld? Alles gaat al vlugger en vlugger, en we zouden denken: nu zal er een flinke rusttijd voor de zich-afslovende mens

overblijven, maar van rust is geen sprake, er is geen kalme bezinning meer. Voort gaat het! Er is nergens geen tijd meer voor. De wereld is één beroerde zee, die geen ogenblik meer stil ligt te spiegelen in de zon.

Hoe groot moet de troost dan zijn voor Gods volk, wanneer ze mogen horen: „Er blijft dan een rust over voor het volk Gods."

Al deze verschijnselen van onze tijd merken we op in het werk van de moderne dichters. Velen hebben met God afgedaan, en daarom zien we zo schril, hoe arm het leven is buiten God. De dichterlijke ziel is fijn besnaard: de levensangst, de eenzaamheid, de donkere toekomst zonder uitzicht, al deze dingen maken een ontzaglijke indruk op het gemoed.

Hoor, hoe Marsman bang voor de dood is:

„Ik ben bang voor het uur dat de dood mijn lichaam ontbinden zal en mijn ziel wordt gezet in het vuur, ik ben bang dat ik staan zal tegen de muur en dat de kogel niet missen zal ik ben bang, dat ik noch in de duur noch daarna in de schaduwen van het Dal de weg naar het hart des levens meer vinden zal "

Hoe somber klinkt zijn

Heimwee.

„De tijden zijn zwart. wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren. in een mantel gehuld, door een engel op weerlichten doortocht verloren en door het onuitroeibaar heimwee vervuld den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden, schrijd ik naar den Dood en die een krijgsman had willen zijn in de hartstochtelijkste aller tijden, moet nu in late verwilderde woorden gewagen van eeuwen, die versomberden tot verhalen — duister en vurig — van Kruistochten en Kathedralen.

Telkens horen we bij Marsman de vrees voor de dood. Het is of hij een voorgevoel heeft gehad van wat hem eenmaal zou treffen. Hij vond de dood in de golven, toen hij van Frankrijk naar Engeland voer, na de capitulatie van Frankrijk in 1940, en de „Bernice" werd getorpedeerd.

In Bordeaux, wachtend op het schip, schreef hij nog:

„Hoger kunnen de golven van de wanhoop niet gaan, denkt het hart; ik ben aan het einde door het donker bedolven."

Hoe nameloos arm is een mens die geen uitzicht meer heeft. „En grimmig grijnst dan d' eindeloze nacht", dicht Frederik van Eeden.

David kon in het geloof uitroepen: „Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen; ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken."

Laten we nu nog even luisteren naar de angst die spreekt uit het volgende gedicht van Marsman.

Regen.

„De regen valt in de nacht in het dal, tussen donkere bergen; uw haar en uw handen zijn zacht, maar waar, waar moet ik mij bergen in die laatste verwilderde nacht als de hitte de overmacht zal verkrijgen op al het zijnde en de dood in de vlammen ons wacht, nu kan ik nog wel bij u schuilen maar hoe zal het zijn in die nacht als de winden als wolven huilen en de eeuwige vierschaar ons wacht. o God! sta ons bij in het einde; wij zeiven zijn zonder kracht."

„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen."

Dit is het grote rustpunt in de benauwdheid der tijden.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951

Daniel | 12 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951

Daniel | 12 Pagina's