JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ds L. G. C. Ledeboer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds L. G. C. Ledeboer

4 minuten leestijd

(XV.)

Sinds zijn uitwerping uit de Ned. Herv. Kerk in 1840 heeft Ds Ledeboer overal in ons land het Evangelie verkondigd. Met recht kunnen we hem een reizend prediker noemen. Nu eens was hij in Drente of Overijsel, dan weer treffen we hem aan in Zeeland. Onvermoeid verkondigde hij met grote ernst en getrouwheid het Wdtord des Heeren. Op 29 Juli 1863 bevond hij zich te Veenendaal. Aan de avond van die dag preekte hij over Jeremia 10 : 17—21: Raap uw kramerij weg uit het land, gij, inwoners der vesting!" enz.

Met grote vrijmoedigheid wees hij op alles, wat ons bij het sterven niet kan baten, maar dan louter kramerij zal blijken te zijn.

Enkele dagen later, op 2 Augustus, bevond Ds Ledeboer zich te Leersum, waar hij het Heilig Avondmaal zou bedienen. Bij die gelegenheid sprak hij over Hooglied 2:4: Hij voert! mij in het wijnhuis en de liefde is Zijn banier over mij."

Zo als altijd, was hij ook nu zeer getrouw en ernstig in het noemen van de kenmerken van het leven der genade.

's Middags sprak hij over Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus. Met nadruk wees hij op het diep verval aangaande het gebruik van de sleutelen des hemelrijks.

Nadat Ds Ledeboer het „Amen" had uitgesproken, riep hij de schare terug. Een elk zette zich weer op zijn plaats. Ds Ledeboer legde zijn handen op de Bijbel en zei: „Ik zeg ulieden vaarwel! ik zeg ulieden vaarwel, want wij zullen elkander niet meer zien dan voor de rechterstoel van Christus."

't Is te begrijpen, dat deze woorden diepe indruk maakten. Op 5 Augustus begaf Ds Ledeboer zich naar Loenen aan de Vecht, waar hij zijn intrek nam bij de landbouwer v. d. Bosch. De Zondag daarop sprak hij des morgens over het eerste hoofdstuk van het boek Ruth en des middags over Zondag 32 van de Catechismus. Na afloop van de dienst zei dominee tot de schare:

„De dood staat achter één van ons allen en het kan ook wel achter mij zijn."

Dinsdag 11 Augustus bracht v. d. Bosch, met zijn wagentje Ds Ledeboer naar Nederhorst den Berg, om daar een ernstige zieke te bezoeken. Op de terugweg gaf Ds Ledeboer bloed op. Direct verzocht hij uit de wagen gelaten te warden en wandelde nu langzaam naar Vreeland. Daar ging hij weer in de wagen zitten en bereikte het huis van V. d. Bosch te Loenen. Donderdags daarop kreeg hij een hevige bloedspuwing. Vol lrjclzaamheid sprak hij: „Wat de Heere doet is goed; de Heere brengt het duizendste part niet over mij, wat ik waardig ben." De dokter vreesde het ergste. Ds Ledeboer zelf was bereid. Hij wenste ontbonden te worden en bij Christus te zijn, want dat was hem verreweg het beste. Doch tegen aller verwachting in kwam er enige beterschap. De toestand was in enkele dagen zelfs zoveel verbeterd, dat de kranke naar Benthuizen kosn worden vervoerd. Hartelijk nam hij afscheid van de familie v. d. Bosch.

In een rijtuig, waarin een bed was gelegd, werd hij vervoerd en na zes uur langzaam gereden te hebben kwam men tenslotte te Benthuizen aan.

Wat v/as Ds Ledeboer blij, dat hij in zijn eigen woning was.

De ziekte scheen niet erger te worden. De belangstelling was groot. Uit alle oorden van het land kwamen zijn vrienden hem bezoeken.

Intussen bleek de beterschap slechts een laatste flikkering te zijn. Een dag voor zijn doc(d bezocht zijn oudste broer uit Rotterdam hem nog. Hoewel Ds Ledeboer er zelf geen besef van had, zagen de omstanders toch wel, dat het einde nu met rasse schreden naderde. Kort voordat hij heenging, zei hij nog met zwakke stem: „Het is toch, of ik ga. sterven."

Aan de omstanders verzacht hij Ps. 103 en Ps. 118 voor te lezen en daarna Ps. 25 : 7 te zingen. Toen begon de stervende gebrekkig te spreken, maar duidelijk kon men horen, dat de scheidende dienaar verscheiden malen zei: Amen, Hallelujah! Amen, Hallelujah!"

En toen was hij niet meer. Met een „Hallelujah" was hij de dood tegemoet gegaan.

Van Ds Ledeboer mogen we wel zeggen, wat hij zelf eens van onze godzalige vaderen schreef: „Zij toonden het beeld huns Meesters in hun harten gegraveerd te hebben. Zij toonden hun aanstelling van de hemel te hebben. Hun woorden waren daden, hun daden waren Godverheerlijkend. Zij streden als leeuwen en stierven als helden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951

Daniel | 12 Pagina's

Ds L. G. C. Ledeboer

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951

Daniel | 12 Pagina's