Grepen uit de Letterkunde
(44.)
H. Marsman. Ik voel de waatren stijgen.
In 1899 werd Marsman te Zeist geboren. Aan de Utrechtse universiteit studeerde hij rechten. Al ras werd hij een der opvallendste figuren van de jongere schrijversgeneratie. Door zijn tijdgenoten werd hij als leider erkend. Behalve ander werk, heeft hij verscheidene dichtbundels geschreven, waarvan „Tempel en Kruis" de laatste was (1939.) In deze bundel staat een opmerkelijk gedicht: „Ik voel de waatren stijgen."
In dit gedicht wordt uitgebeeld het hoge streven van de mens naar geluk, naar eer, naar de schoonheid, kortom: te zijn als een god; het beleven van een aards paradijs. In een andere bundel schrijft hij uitdagend, alles van deze aarde verwachtend:
„Het schip van de wind ligt gereed voor de reis, De zon en de maan zijn sneewwitte rozen, De morgen en nacht twee blauwe matrozen, Wij gaan terug naar het Paradijs."
Maar het leven op deze aarde stelt teleur. Van die verrukkelijke morgenstond komt niets terecht. Er blijft een gapende leegte in het hart. Wat zal het einde zijn? Een jammerlijke dood, zoals een stratosfeervliegtuig, haast boven de dampkring ontstegen, te pletter slaat op de grond.
Maar dit gedicht beeldt niet alleen de teleurtellende belevenissen uit van de dichter, maar is tevens het uitzeggen van het gevoel van de moderne mens, die denkt van deze aarde een plaats te maken van louter vreugde en voorspoed, maar die in grote vertwijfeling komt, ziende alom de haat en wrevel, het ongenoegzame, waarvoor het geen naam kan geven. Aan dat „blije" leven komt een eind: de dood. En dat vreugdevolle leven wordt bedreigd door de angst, door de sombere vooruitzichten. Van die mooie maatschappij, die wij zo goed in elkaar hebben gezet, komt zodoende (als het zó moet zoals het gaat) niets terecht. Alles valt in gruizelementen ter neer.
Laten we eens horen hoe Marsman dit bezingt:
„Ik die bij de sterren sliep en 't haar der ruimten [droeg als zilveren gewei, en 't stuifmeel der planeten over de melkweg blies en in de maan gezeten langs 't grondeloze blauw der zomernachten voer, ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand, mijn stem verloor haar gloed en vindt geen [weerklank meer in 't dode firmament, niets dan de galm die keert van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart."
De dichter (we kunnen ook zeggen: de moderne mens) is tot grote hoogten opgeklommen. De hele wereld, het grote heelal, is doorkruist. Maar 't is alles ijdel gebleven: beroofd en leeg; de stem heeft geen weerklank meer. Let op de sprekende beelden: stuifmeel der planeten over de melkweg, het dede firmament. Om rijmwoorden geeft Marsman niet. Zie maar in de tweede strophe: verbrand moet rijmen op hart; meer op keert. Het geeft allemaal niets. De dichter zegt het zoals het opwelt van binnen.
„ik sta alleen, geen God of maatschappij die mijn bestaan betrekt in een bezield verband, geen horizon of zee, geen poovre korrel zand in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn."
Er is totaal niets overgebleven dan een kale, naakte, gloeiende woestijn, waar geen leven mogelijk is: er is geen God te ontwaren en ook geen medemens. En in deze toestand gaat de dichter verder:
„ik voel de waatren stijgen in de nacht, de angst rijst naar de mond en aan mijn lippen [staan vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed."
Alles heeft de dichter opgeofferd; zijn beste krachten ingespannen (mijn merg) om te worden en te blijven wat de inspraak van het bloed voorschreef. Hij móést die wel opvolgen, zoals vroeger de slaven, als een vanzelfsheid, hun meester op de wenken bedienden. En nu is de angst naar de mond gekomen. Hoe weten we, dat iemand angstig is? Dat zien we aan de uitdrukking van het gelaat. Hier is het zo heel mooi gezegd: „de angst rijst naar de mond" (straks klinkt een angstkreet) en aan mijn lippen staan vermoeienis en walg." Wat zal er nu in die angst gebeuren? Zouden de wateren over de lippen komen? Zou er nog uitkomst zijn? Neen, hoor maar het vreselijke slot:
„niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter [slaan en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier; die als zon in 't zenith heeft gestaan, zal bijten in het zand als een kreperend dier."
Er is nu eenmaal geen uitkomst. Mij rest niets anders dan de val, en als dat zo moet zijn, laat mij dan verpletterd worden, zoals een meeuw, die neergestort is op de bazaltblokken, bedekt met zwart wier aan de zeekant, en die zijn laatste stervenskreten doet horen.
Hier zou eigenlijk het gedicht kunnen eindigen, maar Marsman trekt nu alles wat hij te zeggen had in een paar fraaie slotzinnen saam en zegt dan: hoogmoed komt voor de val. Hij, die zo hoog is opgerezen als de zon in het zenith (het hoogste punt) zal van die top van eer neergeworpen worden in het zand als een beest dat te sterven ligt. De wateren van angst stijgen: de dood komt! Er is geen tegenweer.
Letterlijk zijn voor de dichter de wateren gestegen, toen hij 'omkwam bij de torpedering van de Bernice in 1940.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951
Daniel | 12 Pagina's