LIVINGSTONE
DE WEG VAN WEST NAAR OOST
Livingstone was dus alleen achter gebleven, alleen in het uitgestrekte Afrika, Wat stond hem nu te doen? Dadelijk weer maar aan de arbeid. Terug naar het meer, dat hij had verlaten, en dan verder, steeds verder, om het reuzeland toegankelijk te maken. De wildernis moest niet langer wildernis blijven. Maar om daartoe te komen, zou er heel w r at moeten gebeuren. Het zou de dood van de ontdekker-zendeling tengevolge kunnen hebben. Geen wonder, dat Livingstone, eer hij vertrok, zijn testament liet maken. De man was zich van de gevaren terdege bewust.
In Kolobeng, het hoofdkwartier, aangekomen, zag het gezelschap met schrik en teleurstelling een verschrikkelijke ravage: vernielde meubels lagen tussen verscheurde bceken, terwijl de hut voor het grootste gedeelte was verwoest. Na onderzoek bleek wel, dat niet de zwarten de schuld van alles hadden, maar dat de verwoesting door blanken was teweeggebracht. Dat de vijand tegenwerkt is erg, maar begrijpelijk; doch dat de aanvallen vanuit het eigen volk voortkomen is droevig en onverklaarbaar.
Er waren schandelijke leugens over Livingstone verteld. De witte dokter was een slavenhandelaar, zodat de inboorlingen recht hadden om de man te doden. Zo was tenminste hun opvatting.
Met grote droefheid in het hart vervolgde Livingstone zijn weg, maar ook met groot vertrouwen, dat hij hier niet tevergeefs was. Trouwe inlanders gingen met hem mee, geen moeite ontziend. Door donkere wouden ging het voort, door brede rivieren, door uitgestrekte moerassen, waarin de mannen tot de knieën wegzakten. Er moest gevochten met wilde dieren en tegenstand werd ondervonden van vijandige negerstammen in totaal onbekend land.
Zes maanden duurde de reis door dit ellendige oord, waar de inlanders als wilde mensen leefden. Het was het land, waar de slavenhandel welig tierde. De mensen waren niet zeker van hun vrijheid en leven.
In een brief schreef de zendeling:
„Deze mensen zitten in duisternis en in de schaduw van de dood. Ik hoop, dat God mij genadig zal toestaan het Evangelie overal in dit gebied te brengen." En hij voegde de bede er bij: „O almachtige God, help, help en laat dit ongelukkige volk niet over aan de slavenhandel en aan satan, de mensenmoorder."
In ieder negerdorp verkondigde hij het Evangelie, deelde medicijnen uit, en door zijn vriendelijke woorden nam hij de vijandige negers voor zich in. De helpers, die hem overal volgden, noemden hem vader. Geweld had Livingstone nimmer te gebruiken. En verder ging het, tot eindelijk de kust van de Atlantische Oceaan werd bereikt te Loanda. Hier zagen de reisgezellen het einde der wereld. Zo dachten ze: ze hadden nooit nog een zee zonder einde gezien.
Wat stonden die zwaren te kijken naar de stoomboten, die hier binnen kwamen en uitvoeren! En dan de stenen woningen van de kooplieden! Wat raar zag de wereld er hier toch uit!
Hier in Loanda werd drie maanden gerust. Die rust had iedereen wel nodig. In die tijd voer een schip de haven uit naar Engeland. Hoe verleidelijk voor Livingstone om mee te gaan naar zijn vaderland. Maar neen, hij bleef bij zijn trouwe metgezellen. Hij had beloofd hen terug te zullen brengen. Wat zal er in het hart van de zendeling zijn omgegaan, toen hij vernam dat het schip, waarmee hij niet mee wou, met man en muis was vergaan! Hij moest nog niet sterven; er was blijkbaar nog meer werk voor hem.
In Juni 1854 werd de terugweg aangevangen. De kleren waren vernieuwd en een nieuwe voorraad wapens, geneesmiddelen en tenten kon worden meegenomen. Het ging nu naar de Zambesirivier, naar de negerstad Lintjani, waar ze allen behouden mochten aankomen. Niemand was omgekomen.
Wat hadden de zwarte helpers hun dorpsgenoten veel te vertellen van de lange tocht met de witte dokter! „We zijn met onze vader verder en verder gewandeld, tot we door de ganse wereld w T aren gegaan. Toen er geen land meer was, zijn we teruggekeerd."
, .Zullen we nog verder wandelen, " vroeg Livingstone aan de zwarten. „Wie gaat er met me mee? "
Terstond boden zich meer dan honderd mannen aan om de blanke man te vergezellen.
En waar ging het thans heen? Naar Kaapstad terug? Neen, naar het oosten toog Livingstone. De weg •vanuit het binnenland naar het westen was gevonden, nu moest ook naar de andere zijde de weg naar de grote zee gebaand. De Zambesi werd gevolgd. Het werd een afmattende reis. Vreselijk leed het gezelschap door
honger, dorst, koorts en vermoeidheid, maar ook moest men op zijn hoede zijn voor wilde dieren en woeste mensen.
Op de 8ste November 1855 kwamen de mannen op de plaats, waar de Zambesi van een hoogte van honderd meter neerstort in een afgrond, zodat het water kookt en bruist en grote dampzuilen torenhoog-verrijzen. „Mosi-oa-toenja" (de ruisende rook), zeiden de zwarten. Maar Livingstone noemde de plaats naar de Engelse koningin: Victoria-vallen.
In Mei 1856 werd de Indische Oceaan bereikt te Quilimane. Duizenden mijlen waren te voet afgelegd door woeste streken en onder vreselijke ontberingen. Totaal uitgeput kwam het gezelschap aan. Onderweg werd niet alleen Gods Woord gebracht, maar waren allerlei ontdekkingen gemaakt op het gebied van plantkunde en artsenij en was een groot gedeelte van Zuid-Afrika in kaart gebracht door cle ijverige dokter-zendeling-ontdekkingsreiziger.
M. NIJSSE.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951
Daniel | 12 Pagina's