W. à Brakel
(3.)
Tot slechts enkele jaren voor zijn dood heeft Brakel zich in een goede gezondheid en in een krachtig lichaamsgestel mogen verheugen. Naast een scherp en schrander verstand bezat hij een helder oordeel en een vlug begrip. In de talen en in de godgeleerdheid was hij buitengewoon bedreven. Doch meer eerbied boezemde hij in op geestelijk gebied. In zijn gesprekken, oefeningen en gebeden bleek, dat zijn ontzag voor God zeer groot was. Inzonderheid was hij een man des gebeds, voor de Kerk in 't algemeen, maar ook voor eigen en anderer persoon. Als kind van vrome ouders was hij een voorbeeld van nauwgezette wandel, matig en nedrig in levenswijs en met diep ontzag voor zijn Overheden vervuld. Als het belang der Kerk op 't spel stond, was hij standvastig en onbewegelijk, maar toch durfde hij getuigen, nooit iets gedaan te hebben uit minachting jegens zijn Overheden. Persoonlijke laster had nooit invloed op zijn vrolijke en vriendelijke aard. Zijn wens om als martelaar Jezus Christus te mogen verheerlijken is niet in vervulling gegaan. Met lust en ijver heeft Brakel 28 jaar lang te Rotterdam gearbeid. De laatste levensjaren kondigden velerlei gebreken de naderende dood aan. Zijn geheugen werd minder. Af en toe had de grijsaard zware aanvallen van graveel te doorstaan, waardoor hij dikwijls als een worm kroop en het uitschreeuwde van pijn.
Zondag 30 Augustus 1711 heeft Brakel voor het laatst tweemaal gepreekt. Des morgens moest hij op straat meermalen rusten en des middegs liet hij zich met een „sleetje" naar de kerk rijden, terwijl de koster hem moest helpen bij het beklimmen van de kansel. Vrijdag daarop was hij zó zwaar ziek en zó hevig benauwd op de borst, dat men elke dag het einde verwachtte. Doch het behaagde de Heere van leven en dood Zijn dienstknecht nog geruime tijd door lijden te oefenen. Op enige weken van onuitsprekelijke benauwdheden volgde somtijds een aanmerkelijke verruiming, zodat men zelfs nog op enig herstel hoopte. Doch weinig voedselgebruik en slaap en zichtbare achteruitgang deden toch weer het ergste vrezen.
Ruim zes weken bleef deze toestand zo. Telkens legde hij getuigenis af van de hoop, die in hem was of was hij in een vurig gebed. Dan bad hij voor de welstand van de kerk en in 't bijzonder voor de gemeente van Rotterdam. Soms ook bracht hij eigen toestand voor de Troon der genade, smekende om verlossing uit de druk en dat hij bij zijn kennis mocht blijven, opdat hij God niet tot oneer zou zijn. Dat laatste is hem rijkelijk verleend. Zo verzocht hij in zekere nacht, terwijl hij in hevige benauwdheden verkeerde: „Zegt de gemeente uit mijn naam, dat ik haar de Waarheid heb gepredikt, die ik heb gekend; die ik heb gesmaakt; daar men vast op gaan kan; daar men de zaligheid door zal verkrijgen en daar ik op sterf."
De laatste nacht van zijn leven nam de verzwakking ernstig toe. Tot op het laatste behield de zieke het gebruik zijner geestvermogens. Een uur vóór zijn dood vroeg iemand, hoe het met hem was, waarop hij ten antwoord gaf: „Heel wel; ik rust in mijn Jezus; ik ben met Hem verenigd; ik wacht maar dat Hij komt; doch ik onderwerp mij met alle stilheid." Kort daarop was aan zijn gelaat te zien, dat hij het enigszins benauwd had. Zijn schoonzoon, die bij de stervenssponde stond, zei toen met tranen in de ogen: „Mijn lieve Vader! gedenk dat de Heere Jezus met de Kroon nu in de hand staat en tot u zegt, zijt getrouw tot de dood en Ik zal u geven de Kroon des Levens: en hoewel het ons tot grote droefheid en smerte is, u te verliezen; wij kannen echter ons verblijden, dat wij u in het geloof kunnen nazien, als gaande door de dood naar de zalige Eeuwigheid." Met zijn gelaat en opslaan der ogen toonde Brakel, dat hij het verstond. Enige ogenblikken later ging hij met het gelaat in de hand, als een slapende, de eeuwige rust in.
In de gezegende ouderdom van 76 jaar, 9 maanden en 20 dagen is op Vrijdag 30 October 1711 des morgens te 11 uur Wilhelmus a Brakel in de Heere ontslapen. Acht en twintig jaar had hij de Gemeente van Rotterdam, negen en veertig jaar de vaderlandse Kerk trouw gediend. Zijn werken volgen hem, sprekende ook nadat hij gestorven is. Als men hem in herinnering bracht, hoe nuttig hij in des Heeren hand geweest was, was steeds zijn antwoord: „Ja, met veel zwakheids."
Zijn wens was zonder enige statie, lofdichten of lijkpredikatie ter aarde besteld te worden. Donderdag 5 November werd Brakel's stoffelijk overschot in de Grote kerk te Rotterdam begraven. Tot 1790 is dit graf het eigendom der familie geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1951
Daniel | 12 Pagina's