Van het Zendingsveld
(68.)
Livingstone. Reizen en trekken.
In het huis van Robert Moffat te Koeroeman leerde Livingstone de dochter van de zendeling kennen, Mary Moffat, waarmee hij in het huwelijk trad. Met haar trok David naar het noorden om zijn zendingsarbeid voort te zetten.
Eerlang vestigden ze zich te Kolobeng, wel 800 mijlen van Kaapstad verwijderd. Allerlei gebouwen verrezen er, maar eer het zo ver was, moest hard gewerkt, daar er eerst stenen moesten gebakken. Verder kwam het smids-en timmerwerk voor rekening van de zendeling. Ook mevrouw Livingstone moest de handen uit de mouwen steken. Aan alles was gebrek: kaarsen moesten gemaakt, zeep bereid en zelfs kleren moesten vervaardigd worden.
Om hen heen kwamen de inlanders groepen om het Evangelie te vernemen van de blanke man. Voor die blanke mensen hadden de zwarten in het eerst wel wat afschuw, maar langzamerhand werden de inlanders vrijmoediger en na enige tijd kwamen enkele heidenen tot bekering: grote winst op de noeste arbeid! Het vele geld en de haast-bovenmenselijke inspanning waren niet tevergeefs geweest. Iemand vroeg aan Livingstone: „Als buiten Christus geen zaligheid is, waarom zijt gij dan niet vroeger gekomen? "
We kimnen ons wel indenken, wat zulk een vraag bij David voor uitwerking moest hebben. Het zette hem aan om moedig vol te houden, om steeds meer plaatsen te bezoeken en de bewoners in kennis te stellen met-Gods Woord. Steeds verder zou hij gaan. Daartoe werd hij ook gedwongen. De rivier, waaraan Kolobeng lag, verdroogde als in Elia's tijd de beek Krith, zodat de gehele omgeving van de nederzetting een dorre woestijn werd.
Er was echter ook nog een andere reden. Livingstone wou de slavenhandelaars vóór zijn. Deze mensen probeerden diep in het binnenland door te dringen om slaven te kopen. Aan die slaven kwamen ze goedkoop: één roestig, oud geweer leverde hun tien negers. Zo'n geweer was slechts een paar shillingen waard. Livingstone wist wel, dat er geen Afrikaan ooit zijn eigen kinderen zou verkopen, maar dat ze poogden, door middel van oorldg met andere stammen, aan jongens te komen; krijgsgevangenen dus. Die vreselijke handel leerden ze van de slavenhandelaars. O, de zendeling kon er niet aan denken, dat die jongens nooit hun vaderland meer zouden zien. Ze zouden als beesten behandeld worden, hard moeten werken en tenslotte in een vreemd land sterven. Geregeld zouden de stammen onderling op voet van oorlog staan en het rijke land, met zoveel bestaansmogelijkheden, zou niets anders te zien geven dan ellende. Wat moesten de negers wel denken
van de blanken? Zouden ze denken, dat het allemaal schurken zijn?
Livingstone moest vooruit, voorwaarts naar het noorden, 't Was Juni 1849 toen Kolobeng werd verlaten en de reis werd aanvaard door een woestijn, waarin nog nooit een blanke had gelopen. Inboorlingen hadden meer dan eens geprobeerd, maar van die expedities was niets terecht gekomen, al waren ze ook goed uitgerust. Zou het dan aan de zendeling gelukken? En dat in gezelschap van zijn vrouw en jeugdige kinderen, waarvan de oudste slechts vijf jaren telde? Toch, die kinderen konden tegen een stootje: ze waren in dit land geboren en konden tegen het klimaat; bovendien lustten ze, evengoed als de inboorlingen, gekookte kikvorsen, geroosterde sprinkhanen en rupsen!
Het werd een barre tocht. Allerhande moeilijkheden moesten overwonnen. Vooral gebrek aan water werkte afmattend. De wielen van de ossenwagen zakten diep in het zand. Koortsen matten de lichamen af. Er moest gelet worden op gevaarlijke slangen, terwijl 's nachts hyena's het vee probeerden te bemachtigen. Voorts hadden de ossen veel te lijden van de tsetsevlieg, een grote vlieg, die de slaapziekte overbrengt.
Maar de leider zette door. Na acht weken werd het Ngamimeer bereikt. Hier was het geen wildernis. Afrika was niet ontoegankelijk, zoals men vroeger meende. Het was een rijk land. Wat was men in Londen verbaasd, toen de berichten binnen kwamen!
Drie voorname taken volbracht de moedige David. Onopzettelijk werd hij ontdekkingsreiziger; hij behandelde de zieken als een ervaren dokter en strooide het zaad van Gods Woord.
Bij de terugkeer naar Koeroeman was het bijna met Livingstone's gezin afgelopen. Van de goede weg afgeraakt, kwam men in een streek waar geen druppel water was te vinden. De ossen aten het verdroogde gras, dat wel kaf geleek. Vijf dagen lang werd ontzettend geleden. De dood zou zeker het hele gezelschap wegnemen als niet spoedig hulp kwam opdagen. In die uiterste nood ondervond Livingstone, dat de Heere dezelfde was, Die Hagar niet deed omkomen met haar zoon en Die voor Simson de holle plaats te Lechi kloofde. Eén der mannen, op zoek naar een bron, kwam juichend terug met water. De mensen waren gered. De bronnen van de Zambezi werden ontdekt (3 Aug. 1851). Mens en dier konden zich te goed doen aan het zoete water.
Toch begreep de zendeling, dat zulke reizen voor vrouw en kinderen te afmattend waren. In Koeroeman aangekomen, werd besloten, dat mevrouw Livingstone met haar kinderen naar Engeland zou gaan. David bracht zijn gezin naar Kaapstad. Vandaar ging de reis naar het vaderland (April 1852.)
De zendeling bleef alleen in Afrika achter.
M. NIJSSE.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1951
Daniel | 8 Pagina's