Leer en Leven
(36.)
II. Het Wezen Gods. (h).
Dat het Vaderschap Gods over Zijn schepping en het Vaderschap over Zijn Zoon Jezus Christus ten nauwste samenhangt met het Vaderschap Gods over Zijn volk is in het vorig artikel al enigszins duidelijk geworden. Geen wonder dan ook, dat de gelovige van die eeuwige Vader van de Heere Jezus Christus, die hemel en aarde uit niet geschapen heeft, belijdt, dat Hij nu om Christus' wil zijn God en zijn Vader is. En is het geen schone belijdenis, als hij er aan toe mag voegen: , , Op welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziele verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader? God is dus de Vader van Zijn volk! En dat houdt wat in! Dat betekent, dat de eeuwige, ontoegankelijke God de Vader is van de in zichzelf ellendige zondaar. Wie zou het de onderwijzer in de Catechismus niet na wensen te zeggen: „Mijn God en Mijn Vader? " Welk een rijkdom bezit dat volk, welks God de Heere is!
Zij mogen er zich over verwonderen, dat die grote God, die geen mens, noch enig ander schepsel nodig heeft, om Zich gelukkig te maken, die in Zichzelf en van Zichzelf de Algenoegzame en de Volzalige is, hun God en Vader zijn wil. En dan is de taal van David de hunne, als hij zegt: „Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? " Zij gevoelen zich zo gering, zulke nietige schepselen. Zij zijn van gisteren, zij weten niets! Zij zijn minder dan een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal. Bovendien hebben zij zich leren kennen als een des doods schuldig en verdoemelijk zondaar, die zich de straf op de zonde gesteld, heeft waardig gemaakt en bijgevolg niets anders te wachten heeft, dan eeuwig Gods gramschap te moeten dragen in de hel.
En dan nu, door Gods Geest geleerd, te mogen weten, dat zij een kind van God zijn, zie, dat is hun tot grote blijdschap. Uit vrije gunst heeft Gcd Zich over hen ontfermd. Hij heeft ze niet om eigen verdienste, maar om Christus' wil, tot kinderen Gods aangenomen. En door het zaligmakend geloof, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in hun harte werkt, mogen ze weten, „dat niet alleen anderen, maar ook hun vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus' wille."
Het moge dan voor een prins een voorrecht zijn in het koninklijk paleis geboren te zijn en de koning zijn vader te mogen noemen, het voorrecht van een kincl Gods is oneindig groter. Geen aards koning, maar de Koning der koningen, de Heere der heirscharen is in Christus de Vader van de geredde zondaar en zal dat eeuwig blijven.
Zo bestaat er dus een overeenkomst, een gelijkheid tussen Christus en de gelovigen, wat betreft hun betrekking tot God. Zo is God als eerste Persoon in het Drieënige Goddelijke Wezen de Vader van Christus, maar ook de Vader der gelovigen. Is dit geen onschat-(Zie voor vervolg pag. 50)
VERVOLG LEER EN LEVEN baar voorrecht voor de ware gelovigen? Zij mogen dezelfde Persoon in het Goddelijke Wezen hun Vader noemen, want zij zijn erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus. En nu weten wij wel, dat zij die Vadernaam eerst na de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, met volle vrijmoedigheid durven uit te spreken, maar niettemin is Hij hun Vader krachtens herschepping in het bad der wedergeboorte.
Bij alle gelijkheid tussen Christus en de gelovigen bestaat er echter ook nog een verschil en wel een oneindig groot verschil. Letten we slechts op wat de Schrift zelf ons daaromtrent leert. Als Christus na Zijn opstanding aan Maria Magdalena verschijnt, spreekt hij zo duidelijk van: „Mijn Vader en U w Vader; Mijn God en Uw God!" Hij zegt niet: Ik vaar tot onze Vader en tot onze God, maar Hij noemt Zichzelf en Zijn volk afzonderlijk. Hij stelt Zich dus met Zijn beminden niet op één lijn, waarbij dus goed uitkomt, dat God in een andere betekenis Zijn God en Vader is dan van Zijn volk.
Vraag 33 van de Catechismus geeft ons hierover weer zo'n schone omschrijving, nl. hierin wordt le opgemerkt, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar dat, ten 2e de gelovigen om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods worden aangenomen.
Nimmer mogen we dit onderscheid uit het oog verliezen. Christus dus alleen de eeuwige, natuurlijke Zoon van God en de gelovige door wedergeboorte tot Gods kind aangenomen, waarbij deze dan ook mens, schepsel, dus diep afhankelijk wezen blijft.
Zeer terecht merkten dan ook onze Gereformeerde Vaderen op, dat het Zoonschap van Christus niet voortvloeit uit de huishouding Gods in het Verbond der Genade, doch uit de eeuwige Wezensbetrekking tussen Vader en Zoon. Het Zoonschap van Christus is onafhankelijk van schepping en herschepping, maar het kindschap der gelovigen is vrucht van Gods genade, welke Hij in Christus aan zondaren verheerlijkt.
God is de Vader van Zijn volk, d.w.z. Hij is de Bron en Oorzaak, de bewegende Oorzaak van de zaligheid Zijner kinderen. Al wat er aan geestelijk leven, aan droefheid over de zonde, aan verlichting des harten, aan begeerte naar heiligmaking in de zielen van Gods kinderen leeft, het is in dc diepste grond afkomstig van de Vader, die het verordineerd en beschikt heeft, die het de Zoon deed verwerven en de Heilige Geest deed toepassen, maar die dan toch de eerste Oorsprong en het eerste Begin is, zowel van 's mensen geboorte, als van zijn wedergeboorte. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Waarom de Kerk dan ook zingt:
'k Geloof in God, den Vader, die 't heelal Geschapen heeft en houdt in wezen; En dat Hij, om Zijns Zoons wil, zal Mijn Vader zijn, mijn smart genezen, Mij schenken al het nodig goed, En 't kwaad, dat mij op aard' ontmoet, Genadig doen ten beste keren. Zijn almacht zal mij steeds behoên; Dat wou Hij, als mijn Bondgod, zweren, Dit wil Hij, als mijn Vader, doen. (Tweede Ber. 12 Art.)
J. KRAMP.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 1951
Daniel | 8 Pagina's