JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ZELFBEPROEVING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZELFBEPROEVING

3 minuten leestijd

(Ps, 139 vers 23—24.)

Alwetend God, wiens alziend oog Ziet op deez' aard de lage dingen En Die ook in mijn hart kunt dringen, Ja, Die mij kent, al zijt G' omhoog. Gij, Die mijn harte kunt doorgronden, Mij kent naar Uw Alwetendheid, Want toch o, . Oppermajesteit, 't Wordt ailes naakt voor U bevonden.

Gij kent, o aldoorzoekend God Mijn ziel, tot in de diepste hoeken. Beproef mij, wil mijn hart doorzoeken. Gij, Heere, kent mijn weg en lot, Daar ik geduriglijk moet vrezen Voor zielsverwoestend zelfbedrog. O, God, doorgrond mijn ziele toch En zie of er een weg mocht wezen,

Een weg, die schaad'lijk is en kwaad, Een weg, die mijne ziel airede Vertroetelde met valse vrede, Een weg, die ten verderve gaat, Een weg, waarin ik om zou komen Bij 't einde van de doodsjordaan, Om dan te menen in te gaan En toch voor eeuwig om te komen.

Och, dat ik op geen lossen grond Mijn ziel voor d' eeuwigheid mag wagen En eenmaal — maar te laat — beklagen Van niet te zijn in Uw Verbond En dan, wanneer Uw kind'ren blinken Ik— in een donk're eeuwigheid, Waar niets dan wanhoop is bereid, Voor eeuwig, eeuwig weg moet zinken.

Maar och, het is nog niet te laat. O, wil het onheil nog verroeden. Mocht ik met as mijn ziele voeden. En nam ik leugenen te baat, Ik leg mij voor Uw heilig' ogen O, Hartekenner, Alziend God, Ontdek mij aan dat treurig lot. Heb ik tot heden mij bedrogen ?

Mijn hart is vol arglistigheid, Wil zich door eigenliefde strelen. Ik kan het voor U niet verhelen, Daar 't naakt voor U steeds openleit 't Is dodelijk — wie zal het kennen? Daar 't vol van alle gruwelen is, Vervuld met nare duisternis Och, laat mij toch niet henenrennen.

Op 't heilloos spoor van huich'larij. Dit toch wordt voor Uw oog bevonden Te zijn niets dan vermiste zonden. Och, maak mij van mijzelven vrij. Ontledig, mij van 't grondloos hopen En van 't onzekere „misschien". Doe mij die valse weg ontvliên. En leer mij op Uw wegen lopen.

Wat baat het mij, al werd ik al Met Uwe kinderen gerekend En van Uw Sion aangetekend Bij 't uitverkorene getal? En ik moest Uw genade missen, Ontbloot van Uw gerechtigheid. En voor de grote Eeuwigheid Mijzelven schrikkelijk vergissen.

O, Hartdoorgronder, 'k roep dan nog Beproef, beproef toch mijne gangen. Laat mij in Satans strik niet vangen Bewaar mijn ziel voor zelfbedrog. En dat ik niet meer mag vertonen Dan 't geen ik ben, volzalig God. Mijn hart-en zielebede tot U is — dat G' in mijn ziel mag wonen,

Met Uwen Geest en leid mij dan Van af die schadelijke wegen, Waar toch geen heil in is gelegen. O, Heere, God, trek mij er van En leid mij op die weg naar boven, Opdat ik, Oppermajesteit, Uw liefde en gerechtigheid Nog eenmaal voor de troon mag loven.

29-6-1863.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1951

Daniel | 12 Pagina's

ZELFBEPROEVING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1951

Daniel | 12 Pagina's