JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

5 minuten leestijd

(42.)

H. Marsman. Dies irae.

Tot nu toe werd in deze rubriek hoofdzakelijk eenvoudige poësie en gemakkelijk-verstaanbaar proza opgediend, met zijdelings even een uitstapje in het rijk der letteren, dat iets dieper ging en meer uitleg vroeg.

Op het gebied van de dichtkunst zijn bij vele lezers veel vage voorstellingen en begrippen. Een gedicht is geen gedicht, omdat er enkele regels rijmen. Een gedicht is niet mooi, omdat het zo prachtig rijmt. Poësie is een mengsel van rhythme en rijm, van maten en beelden, van klankrijkdom en zeggingskracht; kortom: er wordt een ontroering uitgezegd in klanken; een ontroering van blijdschap, vreugde, verdriet, verbazing. Wanneer de taal zó wordt gesmeed in de ziel des dichters; zö, dat het niet beter kan wéérgegeven, dan is er pas van poësie sprake. Zo wordt de dichter of dichteres vertolker van zijn of haar innerlijke gevoelens en zo zullen vele dichters waardemeters van hun tijd zijn. Duidelijker gezegd: in de ware poësie horen we de geest van de tijd, waarin de schepper van die poësie leefde of welke tijd hij op het oog had.

De laatste artikelen brachten ons in het ver verleden: bij Luther en Anna Bijns; bij Cats en Hooft; laten we nu even stilstaan bij onze tijd en luisteren naar een dichter, die het leven van de twintigste eeuw poogt uit te zeggen; de tijd van onzekerheid en verwildering; de tijd van oorlogen en geruchten van oorlogen; van angst en vertwijfeling.

(Zie voor vervolg pagina 30)

Dies irae

Neergedwongen in de lage zeden van een sombren godvergeten tijd gaan wij schichtig om tussen de beesten , die wij langzaam zijn ten prooi bereid. Zie, ons leven in de zwarte kuilen onder roet en regen van de nacht, is nog slechts de echo van hun huilen dat het uur van zijn voldoening wacht;

Het opschrift „dies irae" betekent: dag des toorns. Elk woord is zó gekozen dat het véél moet uitdrukken; elk beeld spreekt ons aan. Er staat niet „neergelaten; " neen, we zijn neergedwongen in de lage zeden: we kunnen er niet tegenin vechten. Schichtig, huiverend, gaan we tussen de roofdieren, die huilen in de nacht. Straks vallen we in de klauwen.

Merk hier het huiveren voor de dood. Bij vele dichters uit onze tijd vinden we dat. Zeden en beesten (regel 1 en 3) vormen een onvolkomen rijm, maar het hindert niet. 't Is niet om een mooirijmend versje begonnen. Het is ook niet geschreven om gezongen te worden. (Er zijn mensen, die geneigd zijn te vragen, of het versje ook gezongen kan worden.) Als we deze regels lezen is er muziek genoeg. Het kan in onze taal niet beter gezegd.

„éne horde, schijnbaar in twee kampen opgejaagden, weer belust op bloed, hunkrend naar de pijn van sterke rampen, en het leven van de geest verbloedt. O, de woeste, machtloos tot de tanden bloot te staan aan dit grauw vagevuur! wanneer zal dit Babel dan verbranden van de schachten tot het zwart azuur? "

Er moet bloed vloeien, sterke rampen moeten ontstaan, en daar staan we machteloos tegenover, zodat ons leven langzaamaan uitdooft: het wordt slechts een bergen van het vege lijf. We staan bloot aan een vuur, dat ons wegvaagt. Het woord vagevuur betreft hier in geen geval het louteringsproces, waarvan de roomsen dromen. Die machtsontplooiing van dit moderne Babel, met zijn onzegbare verwarring op alle gebied (haat en wrevel), wanneer zal die radicaal ten einde zijn: afbranden van de grondvesten (schachten tot de hoogverheven top (azuur)?

„Wanneer zal de horizon weer lichten met die smalle gloorstreep onzer hoop? zij behoeft geen grootse vergezichten om zich op te richten uit de dood; laat één ster, een onaanzienlijk teken, flonkren boven de rampzaligheid, en opnieuw geloven wij in streken voorbij 't moeras van deze lage tijd." -

Is er nog hoop? Grote dingen zijn niet nodig: de hcop kan spoedig verlevendigd. De hoop, die helemaal is vergaan, zal zich uit die dood oprichten, wanneer slechts een smalle gloorstreep aan de horizon licht (hoe mcoi is dit gezegd!). Eén ster (een onaanzienlijk teken) is al genoeg om opnieuw te geloven in betere tijden, na dit moeras van deze tijd.

Het is jammer (en dat zullen we bij de meeste moderne dichters moeten opmerken), dat niet gesproken wordt wie die ster moet zijn. De Heere kan alleen oprichten na de wankeling. Hij slaat, maar héélt ook de wonden. Er wordt ook niet gezegd wat de oorzaak is van deze „lange tijd". „Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen, " wordt niet vóórgehouden.

In het houden van Gods geboden is loon te verwachten.

Dit gedicht is echt een klacht over de drukkende tijd, met geen uitzicht op beterschap. Het blijft een vragen: Wanneer zal de horizon weer lichten? Zo blijft de wereld in sombere neerslachtigheid verzonken.

Dit gedicht is van H. Marsman (1899—1940). Lees het nu in 't geheel nog eens rustig over en ge zult gewaar worden, dat dit geen gemaakt verjaringsgedichtje is van onze oom of tante.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1951

Daniel | 12 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1951

Daniel | 12 Pagina's