Zijner handen werk
(21.)
DE akker 3. (zaaien, eggen, wieden.)
Wanneer het ploegen gedaan is, kan met het zaaien begonnen worden. Daarvoor is zaaizaad nodig. „En de dienstknechten van de heer des huizes gingen en zeiden tot hem: eere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? van waar heeft hij dan dit onkruid? " (Matth. 13 : 27.)
Hier is dus sprake van „goed zaad." Daar zal iedere landman voor trachten te zorgen, zoveel in zijn vermogen is. Bij de Joden moest „goed zaad" voldoen aan de voorschriften der wet, waar nauwlettend op werd toegezien:
1. Een akker mocht maar bezaaid worden met één soort zaad: Gij zult Mijne inzettingen houden; gij zult geen tweeërlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen." (Lev. 19 : 19.)
2. Zaaizaad moeht niet in aanraking komen met onreine voorwerpen: Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn." (Lev. 11 : 38.)
3. Het zaad moest voldoende kiemkracht bezitten. Om dit te onderzoeken, zaaide men wel enkele korrels uit in een met mest gevulde bak.
4. Het zaaizaad moest goed gezuiverd zijn van onkruidzaden. Hierop valt de nadruk in de bekende gelijkenis van het onkruid, waaruit in de aanhef van dit artikel een tekst werd genomen. Toch mogen ook in deze gelijkenis de drie andere hierbovengenoemde voorwaarden voor „goed zaad" niet uit het oog worden verloren.
Het grondgebied van de stam van Benjamin stond o.a. bekend om zijn goede zaaizaad.
Het zaaien gebeurde in Palestina op verschillende manieren :
1. Men strooide het zaad maar over de akker, nadat deze van de grofste onkruiden ontdaan was en ging daarna ploegen, dan kwam het er meteen wel onder. We kunnen ons voorstellen, dat deze handelwijze gevolgd werd door niet al te ijverige boeren.
2. Anderen gebruikten een koe of os voor 't zaaien. Men legde op de rug van dit dier een zak met gaatjes erin. Deze zak werd met zaad gevuld. Als nu de os de ploeg trok, vielen de zaadkorrels door de gaatjes op de akker en de ploeg, zorgde er voor, dat ze onder de aarde kwamen. Er werd immers maar zeer ondiep geploegd!
3. Met behulp van een „zaadtrechter." Vlak achter de ploegschaar was aan de houten handboom een grote trechter bevestigd. In deze trechter, waarvan de rieten buis tot vlak boven de aarde reikte, werd het zaad gedaan, dat dan onder het ploegen onmiddellijk na het trekken van de voor daarin valt. Bij de volgende ronde van de ploeg wordt dit zaad dan met aarde bedekt. Op deze manier gaat geen zaad verloren door het vallen op de weg (Matth. 13 : 4). Uiteraard wordt met deze methode de tarwe in rijen gezaaid. (De ploegschaar is veel smaller dan de onze.)
4. Het zaad wordt met de hand uitgestrooid. Deze manier van zaaien heeft de Heere Jezus op het oog in de gelijkenis van de zaaier.
Bij voorkeur zaaide men, als er weinig wind was: Wie op de wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien" (Pred. 11 : 4). Hieruit blijkt wel, dat de wind erg hinderlijk kan zijn. Daarom kan men het beste 's morgens en 's avonds zaaien: Zaai uw zaad in de morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide te zamen goed zullen zijn." (Pred. 11 : 6.) 's Morgens en 's avonds is er gewoonlijk minder wind dan overdag.
Dikwijls zag men wenende zaaiers, want „de zorgen van de zaaier zijn niet gering. Bizonder in tijden van honger en misgewas. Want dan kost het smart en zelfverloochening om graan voor het zaad te bewaren. De boer spaart dat koren uit de mond van vrouw en kinderen, die gebrek lijden. Voor de korrels, die hij in de grond strooit, hebben de zijnen gehongerd. De boer staat dan voor de keuze öf te zaaien, maar dan hongeren de huisgenoten, öf het graan als voedsel te geven, en clan kan hij geen oogst verwachten. Vaak moest de regering de bevolking der dorpen in Palestina aan zaaizaad helpen, omdat alles was opgegeten. En behalve deze ontbering is er zorg en moeite: n de bewerking van de grond; in de vraag wat het komende jaar brengen zal. Daarom is de tijd van het zaaien een periode van kommer en zorg, en die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende. Maar al' is het ook dat er met tranen gezaaid wordt, straks zullen ze met gejuich maaien." (De achtergrond der Psalmen) want dan is de tijd, van zorg en kommer voorbij. Nu kunnen we zo goed Ps. 126 : 3 begrijpen:
Die hifcr bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur, Zijn schoven dragen in de schuur.
De zaaimaand bij uitnemendheid is in Palestina December. Tarwe wordt reeds in November gezaaid. Eind Januari is de zaaitijd geëindigd. „De anemonen zijn gekomen, berg uw zaad in de kast", zegt het Arabische spreekwoord.
Tegenwoordig zaait men dan nog zomerzaad laat in de Lente. Het is niet helemaal zeker, of in Israëls dagen ook zomerzaad werd uitgezaaid. Dit zaad moet dan voor het grootste gedeelte groeien en rijpen tijdens de regenloze tijd.
Over het eggen, in ons land een zeer bekend werk, is in de Bijbel niet veel te vinden. We lezen er over in Jesaja 28 : 24 en 25: Ploegt de ploeger de gehele dag om te zaaien ? opent en egt hij zijn land de gehele dag ? Is het niet alzo? wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezene gerst, of spelt, elk aan zijn plaats."
Uit dit 25ste vers blijkt ons, dat er eerst geëgd werd en daarna gezaaid, dus het klein maken van de aardkluiten na het ploegen. Eggen, zoals we in ons land dat doen, is en was in Kanaan onbekend.
Tenslotte willen we nog iets schrijven over het wieden. Na de zondeval is dat een noodzakelijke bezigheid geworden op deze om der zonden wil vervloekte aarde: Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen"... (Gen. 3 : 18). En hier hebben we dan meteen al een paar belangrijke onkruiden. Deze nu uitvoerig te bespreken, voert ons in dit verband te ver. Mogelijk later. Een ander bekend onkruid was het onkruid uit de gelijknamige gelijkenis (Matth. 13.) Daar gaat het over onkruid, door een vijandig mens midden tussen de tarwe gezaaid. Dit onkruid had zeer veel overeenkomst met de tarwe in het jeugdstadium. Ook dit voert ons te ver, uitvoerig te beschrijven, hoe men uitgezocht heeft, welk onkruid hier bedoeld wordt. Men is tot de conclusie gekomen, dat het de Dolik is geweest, een grassoort nauw verwant aan ons Engels Raaigras, wordt plm. 80 cm hoog en de bebladerde halmen lijken
precies op tarwe. Komen echter de aren te voorschijn, dan is vergissing met tarwe niet meer mogelijk, want de aar van de Dolik is korter en losser van bouw (Tijden en jaren.) Dit klopt volkomen met wat er in de gelijkenis van gezegd wordt: Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid." (Matth. 13 : 26). De Heere Jezus sprak deze gelijkenis uit in Galilea en merkwaardig is Galilese tarwe heden ten dage dikwijls sterk
verontreinigd door Dolikzaden (Tijden en jaren.) Allereerst worden gewied die onkruiden met een grote omvang, soms tot 50 cm. Verder zullen we voorlopig over de onkruiden zwijgen.
Wieden is in Palestina vrouwenwerk. Diep gebukt of gehurkt wordt het onkruid uitgetrokken, op het veld geworpen blijft het daar meestal liggen, daar het spoe-
dig door de felle zon doodgebrand is. Opmerkelijk is, dat in het Oude Testament nooit over wieden gesproken wordt en dat in het Nieuwe Testament het woord wieden ook niet voorkomt. Toch gebeurde het wel. Dat blijkt wel uit bovengenoemde gelijkenis. Dat er gewied werd, blijkt ook wel uit. Spr. 24 : 30 en 31: Ik ging voorbij de akker eens luiaards, en voorbij de wijngaard van een verstandeloos mens; en ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt enz. Zo ziet de akker en de wijngaard van een verstandeloos mens er uit. Het is, alsof de Spreukendichter zeggen wil: en verstandig mens zal die onkruiden verwijderen, dus wieden.
W. VAN DIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1951
Daniel | 12 Pagina's