VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan: | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid
Correspondentie voor deze rubriek aan: | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V
J. V. te G. vraagt hoe wij Joh. 1 : 16 moeten verstaan, waar we lezen: En uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen ook genade voor genade."
Antwoord: Dat „allen" niet ziet op alle mensen is duidelijk uit het verband op te maken, want in het 12e vers, wat er dus aan vooraf gaat, lezen we: „Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, nl. die in Zijn Naam geloven."
De Statenvertalers verwijzen ook naar Coll. 2 : 10, waar te lezen is: En gij zijt in Hem volmaakt." Wie zijn in Hem volmaakt? Toch niet de wereld? Maar Gods uitverkoren volk.
En nu is in Christus een volheid. In Hem woont al de volheid der Godheid. In Hem is een volheid van volkomen mensheid, want de catechismus zegt terecht, dat Hij een waarachtig en rechtvaardig mens is. In Hem is een volheid van genoegdoening, want het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt van alle zonden.
Waar zal ik beginnen en waar eindigen? Saamgevat kunnen wij zeggen: een volheid van alle geestelijke en tijdelijke zegeningen, een volheid van genade tot vernieuwing, tot vergeving, tot heiligmaking, tot behoudenis, tot volmaking.
Het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou. Deze volheid is onuitputtelijk, een stroom die nooit ophoudt en toegankelijk is voor alle waarlijk behoeftigen.
G. v. d. Br. te H. Uw lange, goedgestelde, maar onduidelijk geschreven brief heb ik gelezen en herlezen. Als U opmerkt, naar aanleiding van een beantwoorde vraag, als zou ik het alleen maar opnemen voor boeken, die 50 jaar en langer geleden geschreven zijn, dan merk ik op, dat ik alleen te kennen gaf het eens te zijn met een uitdrukking van wijlen Prof. Bavinck. Maar dat betekent niet, dat mijn oog gesloten is voor de goede lectuur van deze tijd. Alleen ligt onze beoordeling verschillend. Wat U waardeert, kan ik niet waarderen, 't Is waar, taal en stgl in boeken van 100 jaar geleden
spreken niet meer zo tot ons, 't is ook weer, dat taal en stijl van tegenwoordige schrijvers een lust is om te lezen, maar taal en styl beslissen niet. Wel de inhoud en de strekking-
en de strekking-Als ik dan ook veel verwijs naar onze oud-vaders, is het minder om taal of stijl, als wel om de inhoud, 't Is mij onmogelijk om (uitzonderingen daargelaten) de lectuur, i.z.h. die met een godsdienstige strekking, hartelijk te kunnen aanbevelen. En juist omdat ik vanuit de Vragenbus invloed kan uitoefenen op de jongeren, laat dit dan het 'positieve geluid zijn wat ik horen
laat: Wees voorzichtig voor de lectuur van onze tijd." U vraagt verklaring van de geschiedenis van cle Koninklijke Bruiloft, beschreven in Matth. 22 : 1—14.
Antwoord: De Koning is God de Vader, de Zoon is de Heere, Die op de troon der majesteit als de verhoogde Middelaar is gezeten aan 's Vaders rechterhand, de bruiloft is de tijd van de Nieuwe Bedeling, de maaltijd zijn de genadegoederen, die verdiend zijn door de Heere Jezus Christus, de genode gasten zijn de geroepenen tot de gemeente en die eerst geroepen zijn waren de Joden. Volgens de Statenvertalers wordt voor ogen gesteld de grote ondankbaarheid der Joden, die van God door de predikatie des Evangelies tot de gemeenschap Zijns Zoons en der zaligheid geroepen zijnde, dezelve veracht hebben en daarom zwaarlijk gestraft en verworpen zouden worden en dat de heidenen daarna in hun plaats zouden worden geroepen.
Als U denkt, dat de genodigden de uitverkorenen zijn, die niet kwamen, dan kan ik het met U niet eens zijn, want de Heere Jezus zegt: „Al wat mij de Vader gegeven heeft zal tot mij komen". Neen, hier ziet het op de algemene roeping. Als Joods volk in het Oude Testament en als de gemeente in haar openbaring in het Nieuwe Testament, worden allen genodigd, maar de genoden willen niet komen.
Daartoe is nodig de inwendige roeping, die in het nauwste verband staat met de uitverkiezing. Degenen, die zaligmakend geroepen worden tot de bruiloft, krijgen ook betrekking op het bruiloftskleed, wat hun, op Gods tijd, zeker zal worden geschonken.
Löhe merkt op: „Tot aan de voleinding der tijden, tot aan de dorpel der eeuwigheid gaat de roepstem voort; tot aan de poort des doods kan de mens Zijn roepstem volgen. Dan komt het einde der roeping.
Alles komt op het bruiloftskleed aan: het te hebben of niet, waarnaar men aangenomen of verworpen wordt. Maar wat is het bruiloftskleed? De bedekking der ziel is het waarop het aankomt. Het is niets anders dan aan de ene zijde de vergeving der zonden, aan de andere zijde de toegerekende, volkomen gerechtigheid van Christus.
Het lijden en sterven van de Heere Jezus bekleedt Gods volk met het bloedrode gewaad der vergeving. Zijn heilige, krachtige gehoorzaamheid tooit het volk met het lichte gewaad der gerechtigheid.
En nu nog de tekst: „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren". Dit kan niet anders betekenen, dan dat de algemene roeping komt tot allen, die onder het evangelie leven, maar dat de bijzondere roeping geldt de uitverkorenen, welker getal klein is in betrekking tot de velen, die verloren gaan, maar anderzijds ook een schare, die niemand tellen kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1951
Daniel | 12 Pagina's