JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS

5 minuten leestijd

Ketterse stromingen. Een kerkgeschiedschrijver van deze tijd noemt de 12e eeuw, waarmee wij nu bezig zijn, een geestelijk zeer bewogen tijd.

Reeds lieten wij de aanvangen der Scholastiek, de bernardijnse Mystiek de revue passeren. Wij dienen ook enkele ketterse stromingen te beschouwen, die in deze eeuw ontstonden en zich tot in de volgende eeuw voortzetten.

Men dient echter wel in 't oog te vatten, dat de kerk het ais ketterij opvatte, als van haar leer en instellingen werd afgeweken, haar de rug werd toegewend, ja, zij met de wapenen bestreden werd.

Maar men zal reeds hieruit begrijpen, dat er onderscheid was tussen ketterij en ketterij. Sommige ketters wilden werkelijk verandering, hetzij in leer, hetzij in instellingen of levensopenbaring; anderen waren revolutionnair, die wel braken, maar niet herbouwden.

Toch sprak uit alles een reactie tegen de kerk.

Arnoldt van Brescia. Deze was een geestelijke, doch van lagere wijding. Hij vertoefde een tijd bij Abélard en keerde vervolgens terug naar zijn vaderstad.

Hier begon hij als boeteprediker op te treden tegen de geestelijkheid, die hij verwereldlijking en corruptie verweet.

Volgens hem kwam al dit kwaad voort uit de rijkdom er kerk en haar wereldlijke macht.

Daarom eiste hij voor de kerk en haar dienaren een leven van armoede (= bezitloosheid), een apostolische levensgang en bijna donatistische zuiverheid.

De paus mocht geen wereldlijke macht bezitten en kerk en staat moesten volledig gescheiden worden.

Dat nam de paus natuurlijk niet en op een synode in 1139 werd Arnold veroordeeld. Toen trok hij weer naar Abélard en beiden gingen met Bernard polemiseren.

Daarop volgde op de synode van Sens (1141) het banvonnis over beiden. Bernard zei van Arnold: eertijds was hij een duif, maar later een schorpioen.

In 1145 werd hem toch weer gratie verleend.

Nu ging hij zich echter in een politiek avontuur steken. In Rome voerden adel en burgerij een hevige strijd tegen de paus en Arnold werd zelfs hun leider.

Om echter maar kort te zijn: het einde is geweest, dat hij gevangen werd genomen, opgehangen en zijn lijk verbrand.

De partij der Arnoldisten bleef nog lang na zijn dood bestaan.

Katharen. Dit woord is afgeleid van het griekse „Katharoi" en betekent „reinen". Het werd uitgesproken als Gazari, waarvan het duitse woord „Ketzer" = ketter, afkomstig is.

Reeds in de 11e eeuw treft men hen aan, maar vooral in de 12e eeuw komen zij voor.

Zij woonden in N.-Italië en in Z.-Frankrijk. Naar het stadje Albi meende men de laatsten ook wel Albigenzen. Hun leer was Manichees, dus dualistisch (tweegodendom).

De goede God heeft in den beginne een onzichtbare wereld geschapen en bevolkt met geesten.

Een boze geest schiep echter de aarde en die is de God van het Oude Testament. Daarom verwierpen zij dit O.T. en allegoriseerden het N.T.

Ook verwierpen zij doop, avondmaal en priesterwijding, beelden, altaren en kruisen.

De eed was verboden; zomede cle aanroeping der

heiligen. Genademiddelen waren alleen gebed, ascese en geestesdoop.

De gemeente was verdeeld in catechumenen en volmaakten. De laatsten mochten niet huwen, geen vlees eten en moesten vooraf de geestesdoop ontvangen hebben. De Katharen hadden een grote aanhang.

Waldenzen. Dezen hadden niets te maken met de Albigenzen, met wie men ze wel eens samenvoegt, omdat zij in dezelfde tijd en in dezelfde landen leefden. Zij zijn genoemd naar Valdes of Waldes, een rijk koopman te Lyon.

Ook werden zij wel genoemd de Armen van Lyon. Zichzelf noemden zij zich broeders en zusters en het volk noemde hen vrienden en vriendinnen.

Wij moeten deze beweging niet beschouwen als op zichzelf staande maar inschakelen in de grotere beweging, de nastreving van het armoede-ideaal, waarbij sterke nadruk gelegd werd op de armoede om Christus wil. Die streving ontwaarde men bij onderscheiden richtingen in die tijd; ook bij de Waldenzen.

Op zekere dag hoorde hij de legende van de H. Alexius, de patroon van pelgrims en bedelaars, welk verhaal hem zo sterk aangreep, dat ook hij een strever werd naar het armoede-ideaal, nadat een leraar in de theologie hem gewezen had op Mt. 19 : 21.

Er kwam een hele ommekeer in zijn leven. Het grondbezit liet hij aan zijn vrouw, maar zijn overig goed vermaakte hij aan de armen.

Nu trok hij aan de studie. Enkele Bijbelboeken had hij laten vertalen en vlijtig onderzocht hij de Evangeliën en de Psalmen. Ook bestudeerde hij een uittreksel uit de leerstellingen der kerk.

In 1177 volgde de oprichting van een vereniging van mannen en vrouwen, die er naar het voorbeeld der zeventigen twee aan twee op uit trokken om te prediken.

Zij waren gekleed in wollen boetekleed, zonder staf en mate, om te roepen tot bekering. Ook de prediking van het Evangelie werd niet vergeten.

Aanvankelijk was het helemaal hun bedoeling niet zich van de kerk af te scheiden. Zij verzetten zich weinig tegen de kerkleer. Alleen de zielmissen, aalmoezen voor de afgestorvenen, gebeden voor de doden, vagevuur, aflaten, eed en oorlog verwierpen ze.

Zij wilden een woordelijk en streng wettelijk gebruik van de H.S. in de landstaal en drongen aan op een leven, ingericht naar de letterlijke opvatting van de Bergrede. Hun gemeenten waren ingericht naar het voorbeeld der apostolische gemeenten; er was dus geen onderscheid tussen leken en geestelijken.

Echter werkten ook katharische invloeden.

Al spoedig kwam er van de bisschop van Lyon een verbod om te prediken zonder kerkelijke aanstelling, 't Ging niet om wat de Waldenzen predikten, maar dat zij dit deden zonder kerkelijke aanstelling.

Nu vroegen zij toestemming aan paus Alexander III. Hij weigerde; maar zij gingen door.

De volgende paus, Lucius III, deed hen in 1184 zelfs in de ban.

De verwijdering werd al groter en groter. Maar paus Innocentius III zag de fout in, die zijn voorgangers gemaakt hadden en trachtte te herstellen.

Hij stelde voor er een lekenvereniging van te maken, met recht van Schriftverklaring en het houden van toespraken tot het volk. Te laat. De Waldenzen bedankten voor deze regeling.

Toen deed Innocentius hen in 1215 weer in de ban.

P. J. LAMORé.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1951

Daniel | 12 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1951

Daniel | 12 Pagina's