Grepen uit de Letterkunde
(38.)
Jacob Cats. Overige werken.
In het tweede deel van Cats' , , Spieghel" gaat het o.a. over huiselijke zaken en burgerlijk leven. Uit alles blijkt wei, dat de oud-raadpensionaris een goede kijk op het dagelijks leven had en heus zijn ogen de kost gaf. Rijmend vertelt hij, heel bevattelijk:
„Gaan uw zaken naar uw wensen, Dankt God, maar pocht niet bij de mensen, Wint gij, zo laat van roemen af; Een stille zeug, die eet de draf. Heeft iemand geld, dat schone blinkt, Die make, dat het niet en klinkt." „Die kan zwijgen en horen. Grote rust is hem geboren. Die kan horen en zwijgen, Grote zaken kan hij krijgen. Hoort, ziet, zwijgt en verdraagt, Zo weet niemand wat je jaagt." „Vriend die hier staat aan deze sloot, Mij dunkt zij is u wat te groot; Aleer gij dan uw sprong begint, Zo maakt dat gij u wel verzint, Zo maakt dat gij de gronden weet, Zo maakt dat gij uw water meet: Maar let vooral, o goede man, Hoe ver uw polse reiken kan; Want veel te pogen zonder raad. En ver te springen zonder maat, En zaken aangaan boven macht, Dat brengt er menig in de gracht."
We merken: op een omslachtige manier spreekt Cats levenswijsheid uit, waarop we niets anders kunnen zeggen dan: „Zo is het." Geen wonder, dat Cats door de mensen veel werd gelezen. Hij werd begrepen, en het werd gezegd op een leuke manier. Als oudere mensen gedichten lezen, dan gaat het in de regel op een dreunende, eentonige manier, waartoe ook Cats' verzen aanleiding geven: men gaat met de meestal-eendere maat op en neer en ploft op het rijmwoord, 't Wordt dus zo (om de laatste vier regels te nemen van daareven):
„Want véél te pogen zónder raad, En vér te springen zónder maat, En zaken a& ngaan bóven macht, Dat bréngt er ménig in de gracht."
Probeer nu het volgende stukje op dezelfde manier eens te lezen. Het is een stukje uit het gedicht „Mei" van Herman Gorter.
, , 't Was na de middag. Van het woud ging uit Een zachte adem dampend zongoud, luid Zongen de zangvogels en vlogen onder De boomkruinen; zij zag het van een vonder Hoe ze heenwiekten over 't beekkristal: De blauwe gaaien op de groene wal. Waartegen 't beekijs plaste en het schuim Als kleurig druipsteen bleef, in wilde luim Witzwarte eksters die de dag uitvechten, En van een eik afzwierend de goudspechten, En 't kleiner boomvolk: roodborst en de mees En gele lijster en wie nimmer hees Wordt, regenroeper. Alles zat heel stil Zodra ze voorttrad, ogen keken schril Van takken waar twee duiven in hun tooi Op schommelden, er daalde een sprietje hooi."
Merkt ge wel, dat het niet gaat om dit zo te lezen als het werk van Cats? In Gorters Mei gaat een levend rhythme wiegend door de verzen heen; bij Cats is de cadans als het tikken van een klok. En toch velen zullen (en nu letten we alleen op de taal) de verzen van Cats mooier vinden dan van Gorter. Och, zo is het ook in de muziek. Er zijn mensen, die dissonanten uit de muziek wel zouden willen wegbannen. Ze noemen het valse klanken, omdat ze niet begrijpen waaróm en waartóe. Ze hebben geen oor om te horen hoe klagend een dissonant roept om oplossing, die straks in pure klaarheid komt in een machtig slotaccoord.
Laat ons echter tot Cats terug keren. Na de dood van zijn vrouw, voelde de 53-jarige weduwnaar zich eenzaam. Tot een tweede huwelijk kan hij niet besluiten. Hij werkt hard in zijn beroepsplichten, door tuinieren op zijn landgoed en door dichten. Hij besluit een „papieren kint" (zoals hij 't noemt) het aanzien te geven. Zijn „Trouringh" verschijnt in een enorme oplage:50.000 exemplaren komen er tegelijk van de pers. In deze Trouringh worden , , 's werelds begin, midden, einde, besloten in de Trouringh met de proefsteen van dezelve."
Vervolgens verschenen gedichten die over Cats zelf handelden, zoals „Ouderdom en Buitenleven, " , .Hofgedachten op Sorghvliet" en „Tachtigjarige ouderdom." Tenslotte verscheen nog „Twee en tachtigjarig leven."
Keuvelend over allerhande dingen rijmt Cats er op los. En meestal wordt een lezing getrokken uit eenvoudige voorvallen, vooral uit de natuur. In „Op 't gezicht van 't nestelen van de ooievaar" vertelt hij hoe de ooievaar sleept en sjouwt met takken en stro en mos om het nest klaar te maken. Och, wat heeft de vogel
veel te doen eer hij klaar is. Maar een mus is er zo mee klaar, en zijn jongen liggen gerust in een schamel nestje. Deze lering volgt dan:
„Een ieder zegge dat hem lust, In kleine staat de meeste rust: De grootsheid is een wichtig pak, En klein te wezen is gemak; Want hoe dat iemand hoger bouwt, Hoe dat zijn timmer minder houdt, Hoe dat hij, met een stager spoed Meer voor zijn huis bejagen moet: Hoe dat hij meerder wordt benijd, Een even meerder aanstoot lijdt; Ik houd het voor een handig man, Die klein en vrolijk wezen kan."
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1951
Daniel | 12 Pagina's