BLOEITIJD
De bomen staan in witte tooi te pronken, nog vóór het prille groen stil openvouwt; \ ze hebben zich dit jaar al zeer verstout; de koekoekroep heeft nog niet eens geklonken.
Wanneer een wijle hfild're hemel blauwt — momenten tussen grauwe wolkenbonken — heeft schaars de zon haar ivarmt' en licht [geschonken: > één wondertuin wordt 't stille witte woud.
O, mocht Uw hof in blanke bloei uitbreken, 't Staat al zo roerloos als in wintertijd; geef, tot Uw eer, opnieuw een levensteken;
betoon Uw kracht, daar Gij de Landman zijt, Die dorre tuin, slechts door Uw machtig [spreken, ; ontbloeien doet in milde heerlijkheid.
M. N,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1951
Daniel | 12 Pagina's