Het Landelijk Verband van der Gereformeerde Meisj es verenigingen Gemeenten
kwam Woensdag 28 Maart 1951 byeen in het kerkgebouw der Geref. Gem. te Utrecht.
De belangstelling voor deze vergadering was beduidend groter dan het vorig jaar.
De vergadering stond onder leiding van de ere-voorzitter van het L.V., de Weleerw. Heer Ds A. Verhagen, predikant der Geref. Gem. te Kampen, die om half elf de vergadering opende.
Na samenzang van Ps. 2 : 2 en 3, leest de voorz. Luc. 16 : 19 tot het einde en gaat voor in gebed.
In zgn kort openingswoord merkt de voorz. allereerst op, dat het hem een aangename taak is deze vergadering te openen, ziende de grote belangstelling voor een dag als deze. Gods goedertierenheden zijn nog vele, want Hij heeft niet alleen ons gedragen en gespaard maar het ons ook gegeven, dat bij alle verbreking, die onze tijd kenmerkt, in ons werk eenheid mocht worden waargenomen.
De tijden zijn zeer ernstig, vooral voor onze opgroeiende jeugd. Zien we op de zuigkracht der wereld, het opgaan in de zonde en het vleselijk genot, dan is het nog een wonder dat wij hier samen zijn met de plaatselijke verenigingen en dat nog zovelen lust hebben in het onderzoeken van Gods Woord en het werk der barmhartigheid.
Daarom, hartelijk welkom op deze dag!
De zegeningen des Heeren mochten strekken tot verootmoediging.
Wij hebben zoeven met elkander een gedeelte van Gods Woord gelezen. Is er een duidelijker voorstelling denkbaar van het onderscheid tussen die, die God dient en die Hem niet dient, dan hier?
De rijke man leefde alle dag naar het goeddunken van zijn boos hart en dacht niet aan dood en eeuwigheid. Hij leefde uitsluitend voor zijn genoegen en maakte een God van zijn buik.
Jonge mensen, laten wij daarop letten.
Alleen leven in de wereld en de zonde, terwijl zo plotseling soms een einde aan dat leven kan zijn. Mochten wij onze dagen maar leren tellen. De wereld met haar schijn en haar goed gaat voorbij. Welk een ontwaken moet dat geweest zijn voor die rijke man, zo midden uit de wereld en de wellust en dan buiten God in de eeuwige rampzaligheid. Een droevig loon geeft de zonde. Daaraan denk je nooit te jong. Laat toch het zwaarste het zwaarste wegen.
En zie nu eens het onderscheid met Lazarus, een groot, uitwendig onderscheid. In het goed der wereld was hij arm, maar hij had een toevlucht voor zijn noden en behoeften.
Dat volk heeft een toevlucht en een uitzien naar boven en daarop mogen wij U wijzen.
God regeert. De rijke man had geen kruimel voor Lazarus over, maar de Heere zorgt voor hem en verlost hem uit zrjn lijden. Bovendien werd hij door de engelen gedragen in Abrahams schoot. Gods volk heeft een toekomst en een aankomen.
Als de rijke man bidt om een waarschuwing van zijn familie, ontvangt hij als antwoord zo terecht: „Zij hebben Mozes en de Profeten, dat zij die horen!"
En nu leven wij onder de bediening van het Verbond der Genade. Ook wfl hebben Mozes en de Profeten, opdat wij onder de prediking van Wet en Evangelie zouden leren wat en wie wij door de zonde zijn geworden, maar dat Hij, Die dood geweest is, leeft en in Hem alleen behoud is. Dit alles kan alleen door de krachtige bewerking des Heiligen Geestes.
Wees toch veel bezig in dat onderzoek, opdat het U geschonken mag worden als een Maria zoekend en verlegen gemaakt te worden naar Hem, Die opgestaan is en dood en graf overwon. Mochten wij er deze dag iets van ervaren en ook elkander tot een hand en een voet zijn. .
Wij hopen deze dag; genoeglijk samen te zijn en dat bovenal Gods Geest er op moge rusten en deze arbeid doorwerke als een zuurdesem, tot ere van Gods grote Naam.
Naam. Na het voorlezen van de notulen der jaarvergadering in 1950, die goedgekeurd werden, volgt het jaarverslag van de secretaresse.
Dit wijst uit, dat 17 verenigingen met totaal 411 leden thans het Landel. Verb. vormen.
Deze 17 verenigingen werken op de volgende basis:8 als zgn. naaikransen, 6 gecombineerd, dus naaikrans en studievereniging tevens en drie als studievereniging.
Er werden dit jaar 1056 kledingstukken vervaardigd en verdeeld over 56 behoeftige gezinnen.
Ook werd veel gedaan aan gezinshulp, hier en daar heel wat werk uit de hand genomen en voorts maakten verscheidene der meisjes zich verdienstelijk met het oppassen bij zieken. Uit alles blijkt de goede gang die er in de zaak zit en niet minder de waarde van een Landel. Verb. als dit, dat zich èn in het geven van adviezen èn in het uitwisselen van gedachten reeds zeer verdienstelijk maakte.
De secretaresse leest ook nog voor de antwoorden op de telegrammen, die vorig jaar werden verzonden aan H.M. Koniging Juliana en aan H.K.H. Prinses Wilhelmina.
Het jaarverslag van de penningmeesteresse geeft een gunstige indruk. Er is een batig saldo van ƒ 221.15.
Beide verslagen werden goedgekeurd.
Aan H.M. Koningin Juliana en aan H.K.H. Prinses Wilhelmina worden telegrammen van aanhankelijkheid gezonden.
Bjj bestuursverkiezing wordt herkozen mevr. C. van 't Kaar-Tanger en gekozen mej. A. N. de Feyter.
Door kerkelijke aangelegenheden en mede met het oog op het Reglement was het noodzakelijk dat mej.
Zr M. den Hertog zich niet meer herkiesbaar stelde.
De voorz. spreekt passende woorden van waardering voor het zo spontaan verrichte werk en hoopt dat alle oorzaken van scheiding mogen leiden tot smart en ook mogen worden weggeruimd. De voorz. voegt aan deze
woorden de hartelijke dank van allen. Bij de behandeling der voorstellen wordt allereerst besloten de jaarvergadering voortaan begin Mei te houden.
De M.V. te Lisse heeft gevraagd naar de mogelijkheden om de verenigingsavonden zo aantrekkelijk mogelijk te maken.
De voorz. wijst op de gevaren, die hier dreigen. Het gaat allereerst over de nuttigheid. Gezelligheid en aantrekkelijkheid zijn secundair. Niettemin mag dit onze aandacht en zorg hebben. Geef dan bv. tot opscherping elkaar enige Bijbelse vragen op. Maar vóór alle dingen moet er begrip zijn voor het werk der vereniging zelf. De aantrekkelijkheid moet van binnen uitgaan.
De M.V. van Middelharnis vraagt naar de beste manier een naaivereniging te combineren met een studievereniging.
vereniging. Dit is nogal eenvoudig en op enkele manieren te bereiken.
Bijv. 3 avonden naaikrans en dan één avond bijeen komen als studie-vereniging. Ook kan het zo, door het grootste deel der avond te besteden aan het naaiwerk etc. en voor het overige iets doen aan het studiewerk.
Op een vraag van de M.V. te Rotterdam-C. over het vormen van Ringverbanden, wordt er op gewezen, dat deze reeds bestaan. Er is niets op tegen in eigen omgeving onderling contact op te nemen en gedachten over het werk uit te wisselen.
Ds J. v. d. Berg, die wegens ambtsbezigheden niet langer kan blijven spreekt met een enkel woord de vergadering toe, n.a.v. het Bijbelwoord: „Wat hem wederhoudt, weet gij."
Wat is daarvan de bedoeling? In deze tijd van verwording zien wij het gezag minder worden, kwijnen. Wij hebben daarvoor geen eerbied meer. Ik dacht zo aan de dochter van Jefta. Jefta was een uitgeworpene. Maar in nood gaat Gilead naar hem toe en hij aanvaardt het verzoek hun aanvoerder te zijn. Ge kent het verloop v.d. geschiedenis. Zijn gelofte, zijn ontroering, zijn antwoord, maar ook de houding van zijn dochter. Zij onderwerpt zich onvoorwaardelijk. Zij eerbiedigt de autoriteit.
Gij allen leeft in een felbewogen tijd. Dit beseffen wij niet half. Wij onttrekken zo graag aan die autoriteit van het gezag, wat in Gods Woord zijn oorsprong vindt. Alle gezag, dat daaraan niet is ontleend, is geen gezag. Dit enkele woord meende ik te moeten zeggen. Als U straks weer in uw eigen gemeente zijt, geve de Heere U te buigen op alle terrein en in alle omstandigheden. Hij verbindt daaraan uiterlijk of innerlijk Zijn zegen.
De Heere geve het Bestuur genade om verder te gaan in het leiding geven aan de verenigingen met Zijn hulp.
Mevr. Hardon-Kieviet houdt nu haar onderwerp: „Het kleed dat wij dragen".
Zij zegt allereerst iets over de oorsprong v.h. kleed en vervolgens iets over het doel, v.h. kleed, de waardering v.h. kleed en de bestemming v.h. kleed
In de staat der rechtheid was het kleed overbodig. Na de zondeval is dat geheel anders.
De ogen van het geweten gaan open en zij zien de ellende waarin zij gekomen zijn, naakt beroofd van de eer, die zij volkomen bezaten.
De bedekkingen, die de mens zoekt, zijn ijdel en beuzelachtig. God zorgt nu voor kleding, die dus haar oorsprong vindt in de zonde.
Het doel v.h. kleed is om onze schaamte te bedekken. Eveneens om het lichaam op temperatuur te houden, naar de aard v.h. klimaat, hetzij tegen de koude of tegen de brandende zon.
Reeds de Egyptenaren kenden de kunst van het weven der stoffen. Later kennen wij de weverijen te Baat'lem en Leiden.
Het Bijbels kleed is het onder-en opperkleed van wol of linnen, ook wel het fijne lijnwaad. In mannen-en vrouwenkleding was niet veel verschil.
De waardering v.h. kleed is zeer verschillend.
De dweperij van de wederdopers strekte zich zover uit, dat die heilig leefde als voor de val, geen kleed behoefde te dragen.
Deze onderschatten dus de waarde v.h. kleed. Andere overschatten die waarde weer en thans wordt vrijwel in alle kringen pronk-en praalzucht nagejaagd.
Alle nieuwste snufjes worden nagejaagd en het kleed is hun afgod.
De gang naar het huis des gebeds van dezulken is alleen om gezien te worden.
Gelukkig is er een middenweg.
Niet verachten en niet verafgoden.
Het kleed moet niet tot bespotting van de wereld zijn en ook niet tot ergernis van Gods Volk.
Spreekster wijst op de noodzaak van matigheid en eenvoudigheid. Wij moeten rekenen met de omstandigheden. Versiering worde nimmer opschik.
Wat de bestemming v.h. kleed aangaat, het dekt ons, zo lang wij leven. Een doodshemd is de laatste schamele bedekking.
Alles vergaat, laten wij daaraan denken. Zal het wel zijn, moeten onze klederen gewassen worden in het bloed des Lams.
Wat met dat kleed bedoeld wordt, weet ge, laat daarom ons kleed aan die gedachte ontleend zijn.
De morgenvergadering wordt met dankgebed door Ds Verhagen beëindigd.
Na de pauze wordt heropend met het zingen van Ps. 118 : 7 en gebed door de voorzitter.
Een leerzame bespreking volgt op het onderwerp van Mevr. Hardon. De vragen worden duidelijk door de voorz. beantwoord, waarin onder meer duidelijk wordt aangetoond, dat het ongepast is, dat een vrouw mannenkleding drage, en dat men in Gods huis niet anders kome dan met gedekt hoofd.
Na het zingen van Ps. 119 : 1 en 2 houdt de Weled. Heer T. Molenaar zijn referaat over: Het Schrift op de wand".
Spreker tekent allereerst de persoon en afkomst van Belsazar.
Na het verloop der geschiedenis te hebben geschetst, laat spr. duidelijk uitkomen hoe Gods vinger zelf heeft geschreven. Spr. is van mening, dat het een geheel vreemde taal was, de taal van God Zelf, hoewel ook andere meningen hierover bestaan.
Gods rechterhand is hoog verheven. De wijzen kunnen het schrift niet lezen, noch uitleggen. De aandacht valt dan door middel van de oude koningin op „Daniël". Deze koningin-moeder laat de geschiedenis spreken.
Ook Daniël spreekt op grond van de geschiedenis. Omdat Belsazar in zijn leven God niet had verheerlijkt is hij des doods schuldig.
Mené, mené (geteld en voleind) tekèl ufarsin (aan stukken). (gewogen)
Spreker besluit dit uitvoerig en duidelijk voorgedragen referaat met een ernstig woord tot de vergadering.
Een leerzame bespreking was het dankbaar slot op dit mooie referaat.
Eén van de aanwezige meisjes, declameerde op verdienstelijke wijze het bekende gedicht: „Rachel, de groenteverkoopster", waarvoor zij een welverdiend dankwoord ontving.
Ds A. Verhagen eindigde dit alleszins geslaagd samenzijn met dankgebed.
Het L.V. van M.V. mag zeker met voldoening op deze dag terugzien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1951
Daniel | 12 Pagina's