Zijner handen werk
(17.)
De dienstknecht liijgt naar de schaduw
De lezer(es) zal al wel begrepen hebben, dat we met deze titel (Job 7 : 2) de Palestijnse zomer bedoelen. We hebben ons voorgesteld, dit jaargetijde te behandelen langs het volgende schema:
1. De duur. 2. De warmte. 3. Het licht. 4. De schaduw. 5. De wind. 6. De droogte. 7. Het stof.
1. De duur.
Wanneer we de zomer laten samenvallen met de regenloze tijd, dan kunnen we haar rekenen van Paasfeest tot Loofhuttenfeest, dus van 15 Nisan (— plm. 1 April) tot 15 Tisjri (= plm. 1 Oct.) De grootste warmte, en dus ook de eigenlijke zomer omvat de periode van half Juni tot half September. Toch is het vóór Juni ook al erg warm. Dit blijkt ons wel uit het verhaal van 2 Kon. 4, waar we lezen, dat het zoontje van de Sunemietische zonnesteek krijgt, „toen het uitging tot zijn vader, tot de maaiers", dus was dat in de tijd van de graanoogst, die plm. 1 Juni voorbij is. We houden dus maar aan, dat de zomer in Kana& n duurt van April tot October.
2. De warmte.
Uit de Bijbelkennis, die ik bjj mijn lezers (essen) veronderstel, zullen we wel weten, dat het in Kanaan warm is. Zo kan het gebeuren, dat „de dienstknecht hygt naar de schaduw" en dat de arbeiders in de wijngaard klagen, dat ze „de hitte gedragen hebben." Die hitte is een gevolg van de hoge zonnestanden en de nagenoeg vochtvrrje atmosfeer. In Jeruzalem bereikt de zon een hoogte van 81% graad, dan vallen de stralen dus bijna loodrecht naar beneden, of anders gezegd: e zon staat dan midden op de dag zo goed als recht boven ons. „Niets is dan verborgen voor haar hitte" (Ps. 19 : 7), zelfs in de schaduw niet, waar het tot 's morgens een uur of 10 nog aangenaam blijft, 's Middags is het ogenblik gekomen, dat men rust neemt, voor wie het doen kan, zoals bv. Abraham, „toen de dag heet werd", en David, toen hij pas tegen de avond van zijn bed opstond en Bathseba zag. Bij Isboseth kwamen ook de moordenaars, toen hij rustte, evenals Eglon. Wie veel geld had, trok zich dan terug in zijn zomerhuis, dat zo ingericht was, dat men de warmte kon buitensluiten. De gemiddelde temperaturen zijn: uni 22, 3°, Juli en Augustus 23, 9°, September 22, 4°, October 20, 4°. Deze temperaturen zijn overdag belangrijk hoger, als men bedenkt, dat het verschil tussen dag-en nachttemperatuur vrij groot is. Zei Jakob niet: Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst"? Jeremia profiteerde over Jojakim, de Koning van Juda: n zijn dood lichaam zal weggenomen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst." (Jer. 36 : 30.;
3. Het licht.
Het is in Palestina in de zomer veel lichter dan hij ons. Dit komt door de terugkaatsing van het zonlicht door de kalkbodem en doordat er geen vocht in de lucht zit, waardoor het zonlicht geen belemmering ondervindt. De zon komt dan ook niet rood op, maar helder. „En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer." (Ps. 19 : 6.) Dat heldere licht blijft er ook in de nacht. Venus geeft zelf schaduw, terwijl bij volle maan het licht zo sterk is, dat men er gemakkelijk bij lezen kan. De sterrenhemel is ongekend helder en inderdaad, ontelbare sterren versieren het firmament: Toen leidde Hrj hem naar buiten, en zeide: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: o zal uw zaad zijn." (Gen. 15 : 5.)
4. De schaduw.
Het ligt voor de hand, dat sterk licht ook sterke schaduwen geeft en daar is in de hete zomer ook werkelijk grote behoefte aan. We denken dan allereerst aan wolken: gelijk de hitte door de schaduw ener dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden." Wolken komen in de zomer echter zeer weinig voor en als er eens een wolk komt, dan is hij spoedig voorbijgedreven en is de verkoelende schaduw ook weer weg. Daarom wordt het korte bestaan van een mens vergeleken bij „een voorbijgaande schaduw" (Ps 144 : 4). Iets anders is de wolk (kolom), waardoor de Heere in Zijn almacht de Israëlieten gedurende de woestijnreis schaduw verschafte.
Een schaduw van een boom gaat niet voorbij. Daarom rustten de Israëlieten graag in de schaduw van bomen: nder een eik en populier en ijpenboom, omdat derzelver schaduw goed is." (Hos. 4 : 13.)
Het felle licht en de grote hitte maken het begrijpelijk, dat men de schaduw gaat zien als symbool vanbescherming onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt." (Jes. 49 : 2.) verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen." (Ps. 17 : 8). „Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen" (Ps. 63 : 8.) „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen." (Ps. 91 : 1) enz.
„Alleen in een land, waar de tegenstellingen veel scherper zyn dan in ons milde en gelijkmatiger klimaat, kunnen dergelijke beelden begrepen worden." („Tijden en jaren" door F., J. Bruyel.)
5. De wind»
Hierover is vroeger uitvoerig gehandeld. Men zie „Daniël" van 20 October 1950.
6. De droogte.
De droogte is ook een echt kenmerk van de Palestijnse zomer. Men leze nog maar eens na, wat in vorige artikelen over de regen is gezegd. We zijn toen tot de conclusie gekomen, dat regen in de zomer een zeldzaam verschijnsel is. „Gelijk de sneeuw in de zomer, en gelijk de regen in de oogst, alzo past de zot de eer niet." (Spreuken 26 : 1). Het enige vocht, dat dan nog op het land komt, is de dauw, die echter na zonsopgang snel weer verdwijnt, (zie vorige artikel.) Het land krijgt dan ook wel enige overeenkomst met een woestijn. Dikwijls kunnen we dan in de Bijbel lezen over een „dor" land. mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water" (Ps. 63 : 2). Het wordt voor het vee moeilijk om voedsel en water te vinden. Vooral de watervoorziening is een probleem. Men heeft berekend, dat een open watervijver in Jeruzalem gedurende de winterregen 356 mm water heeft, waarvan in Mei nog maar 185 mm over is, alleen al door de verdamping. In Juni is er nog maar 50 mm. („Zum Klima voor Palastina" — Dr F. M. Exner.) Gelukkig zrjn er altijd nog de natuurlijke bronnen, waaruit het water opborrelt. „De knechten van Izak dan groeven in dat dal en zij vonden aldaar een put van levend (= stromend) water (Gen. 26 : 19.) Dit water smaakt het lekkerste, veel lekkerder en frisser, dan dat uit de vijvers of cisternen, waar reeds eerder over geschreven is. Men zie aldaar.
7. Het stof.
Het stof is een gevolg van de droogte en van de hitte, terwijl de kalkbodem er het zijne ook toe bijdraagt. Behalve dit stof hebben we ook nog rekening te houden met het stof, dat door het dorsen ontstaat, in het bijzonder in het agrarische Kanaan. „En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tirannen als voorbijvliegend kaf" (Jes. 29 : 5). Alles wordt met een grijze stof overdekt. Het groen van de bomen is er onder verdwenen, zodat het wel lijkt, of het gesneeuwd heeft. Tot in de huizen dringt het door, zodat men zelfs bijt het verlaten van een huis het stof van de voeten kan schudden. „En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uwer voeten af." (Matth. 10 : 14). Dat is nog steeds de gewoonte in Palestina. („Arbeid und Sitte"-Dalman.)
Stof komt in de Bijbel voor als beeld van grote massa: Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof". (Job 27 : 16.) „En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten." (Zach. 9 : 3.)
Abrahams zaad zal zijn als 't stof der aarde. Ook is stof een beeld van nederigheid en vernedering: Hij verheft de geringe uit het stof" (1 Sam. 2 : 8). en zijn vijanden zullen het stof lekken" (Ps. 72 : 9.) , zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken..." (Jes. 49 : 23.)
Tenslotte is de mens uit stof geschapen en om zijn zonde zal hij weer tot stof terugkeren.
„In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren." (Gen. 3 : 19.)
neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof" (Ps. 104 : 29.)
O God, Gij zijt mijn toeverlaat; Mijn God, U zoek ik met verlangen, Zo ras wij 't morgenlicht ontvangen, Bij 't krieken van den dageraad. O Heer. mijn ziel en lichaam hijgen, En dorsten naar U in een land, Dat, dor en mat, van droogte brandt, Waar niemand lafenis kan krijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1951
Daniel | 12 Pagina's