Leer en Leven
(30.)
II. Het Wezen Gods(b)
Dat God een onbegrijpelijk Wezen is hebben we U in ons vorige artikel trachten duidelijk te maken. Zijn Wezen is zo ver van ons verwijderd en Hij woont zo hoog boven ons, dat het eerder mogelijk zou zijn, dat wij met de hand aan de sterren zouden kunnen reiken, dan het Wezen Gods te kunnen vatten en doorgronden.
En toch, hoewel het een onloochenbaar feit is, dat God onbegrijpelijk is, toch is het even waar en zeker, dat Hij door een deel van Zijn schepselen wel verstaan en begrepen wordt. Het innerlijke-zijn van Zijn Wezen is nimmer geheel te kennen; maar anderzijds is het toch ook weer zo, dat Hij wel te kennen is door Zijn schepselen.
Hoe dit met elkander te rijmen is, vereist enige nadere toelichting.
De volkomenheid van Gods bestaan en W T ezen is nooit en nimmer door enig schepsel te doorgronden; door geen mens en evenmin door een engel. God kent Zichzelf alleen volkomen.
Die grote, hoog-verheven en onbegrijpelijke God heeft echter een Vaderhart; en dat Vaderhart klopt voor al degenen, die door wedergeboorte Zijn kinderen zijn geworden; en aan deze openbaart Hij zoveel van Zichzelf en van Zijn Wezen en Goddelijke Deugden, dat die kinderen Gods met recht mogen zeggen, dat zij God kennen en verstaan.
Door genade zijn deze schepselen leerlingen geworden op de hogeschool van de Heere Jezus. Daar hebben ze een plaatsje ontvangen en daar krijgen ze hemels onderwijs, zoals op geen aardse academie geleerd kan worden. Daar ontvangen zij die Goddelijke lessen, door de onderwijzing des Heiligen Geestes, die zoeter zijn dan honing, ja dan honingzeem. In de weg van studie, wetenschap en onderzoek worden die heilgeheimen nimmer geopenbaard.
Op die hemelse school van Je7.us is Gods Woord het enigste studieboek voor leer en leven en door dat Woord worden zij, die naar het licht vragen, ook voldoende door de werking van Gods Geest verlicht en zo leren zij in en door Christus de waarachtige God kennen.
Een oprecht Christen weet, dat God er is en wie God is, ja vooral, wat God voor hém is; uit de Heilige Schrift leert Hij de wil des Heeren kennen, zodat hij weet, waaraan hij zich te houden heeft; daaruit, leert hij, wat hij vrezen moet en wat hij hopen mag; wat hem bedroeven moet en waarin hij zich verblijden mag; hij kent en smaakt de „enige trocst" in leven en sterven; hij weet, waarop al de wegen Gods, hoe donker ook, voor hem zullen uitlopen, en dat zij hem, naar Gods eeuwige Raad, dwars door alle zwarigheden tot de eeuwige zaligheid brengen zullen; zoals de kanttekening dat zo schoon zegt bij Rom. 8 : 28.
God volkomen te kennen is dus een onmogelijkheid, maar toch kunnen we onder de bearbeiding des Geestes wel zoveel van dit eeuwige Wezen leren kennen, als ons nodig is, om met Hem in een herstelde betrekking van liefde en gemeenschap te komen. God is kenbaar voorzover Hij Zich te kennen geeft en het menselijk bevattingsvermogen reikt.
Met zekerheid kunnen We op grond van Gods Woord dit wel zeggen: God is een geestelijk Wezen, oneindig en allervolmaakst, noodzakelijk en alleen van Zichzelf bestaande, van de wereld onderscheiden, Oorzaak en Grond van alle wezen.
God is dus een werkelijk bestaand Wezen. Hij is maar niet een gedachte, een idee of denkbeeld, dat de mens zich in zijn hersenen gevormd heeft; neen, maar God bestaat even werkelijk als wijzelf bestaan. En dat is juist de troost voor Gods arme volk, dat het die geloofswetenschap bezitten mag, dat God bestaat, waardoor het het hoofd blijmoedig uit de gebreken mag opheffen, wetende, dat het veilig en geborgen is in Gods hand. God is een Wezen bij uitnemendheid, waarnaar de ziel dorst, die de ledigheid en gebrekkigheid aller dingen gevoelt; het Hoogste Goecï, waarin zij vrede vindt.
Als men, zoals de Pahtheïst, van geen persoonlijk God wil weten, maar Hem verlaagt tot de oerkracht der natuur of de Alheid der dingen, dan loochent men tegelijkertijd, dat er gemeenschap met zulk een God bestaan kan.
Loochent men het persoonlijk bestaan van God, dan maakt men het gebed van Gods volk tot een bespottingen het innig verkeer van de Heiland hier op aarde met Zijn Vader maakt men tot een aanfluiting.
God is een zelfbestaand Wezen; maar Hij is niet een lichamelijk Wezen; Zijn bestaan is geestelijk, onzichtbaar, maar toch even werkelijk bestaande. Onze ziel heeft van God een lichaam tot woning ontvangen. Met dat lichaam kunnen we alle geestelijke functies verrichten. Wil onze geest iets zien, horen of tasten, dan maakt ze gebruik van oog, oor en hand. God is daarentegen een geestelijk Wezen, dat niet gebrekkig is zonder lichaam, maar dat juist zo geheel volmaakt is, dat Hij geen lichaam en geen lichaamsdelen van node heeft.
God is het oneindige en allervolmaaktste Wezen. Hij is, wil dat zeggen, door geen tijd, door geen ruimte of door geen toeval gebonden, noch beperkt.
Alle goedheid en voortreffelijkheid is in Hem zonder mate verenigd. Hij is overal en altijd tegenwoordig. En toch straalt Hij de heerlijkheid Zijner majesteit op de ene plaats luisterrijker ten toon dan op de andere plaats, en dat doet Hij naar Zijn vrijmachtig welbehagen.
Hij is zo groot, dat de hemel, ja de hemel der hemelen Hem niet kan bevatten (1 Kon. 8 : 27); maar ook tegelijk zo nederbuigend, dat Hij wonen kan en wil in het hart van wie schreiend tot Hem vlucht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1951
Daniel | 12 Pagina's