JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Nood en Redding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nood en Redding

5 minuten leestijd

Heere behoed ons, wij vergaan. (Matth. 8 : 25b)

De Heere is met Zijn jongeren aan boord van een schip het meer van Genesareth op gevaren. Onvoorwaardelijk zijn de discipelen Hem gevolgd. Niet het minst hebben ze geaarzeld om mee te gaan. Door Goddelijke genade waren ze Hem gevolgd en op het land aanschouwden ze reeds Zyn wonderen, almacht en vermogen. Wat zou hen dan weerhouden Hem te volgen op het water? Wat weten we toch weinig van de weg, welke de Heere heeft bepaald. Het is maar gelukkig ook, dat we niet vooruit kunnen zien.

Soms zouden we wel eens de sluier van de toekomst willen opgelicht hebben, maar des Heeren wijsheid bepaalt: Wat Ik nu doe weet gij niet, na deze zult gij het verstaan.

Ze zijn reeds ver op het meer gevorderd en plotseling steekt een geweldige storm op, zó dat het schip van de golven bedekt wordt. Natuurlijk weten deze mensen wat er gebeuren moet in zulke omstandigheden. Velen van hen zijn met het water vertrouwd er als het ware bij opgegroeid. Ze zijn vakmensen en zijn voor geen kleintje vervaard in deze. Natuurlijk hebben ze zeil geminderd, en getracht het water uit het schip te krijgen. Hun arbeid blijkt evenwel ijdel te zijn. Er blijft hun maar een middel over nl. een noodschreeuw: Heere behoed ons, wij vergaan! Wat zijn we toch beste vakmensen hè? Wat weten we het toch goed. We hebben zoveel gelezen, en zoveel gestudeerd en onderzocht. We weten het tot in de puntjes. We weten precies hoe een mens bekeerd moet worden, en luisteren naar anderen, en constateren wat er aan mankeert, alsmede waar de haper zit. We dragen ik weet niet hoeveel teksten aan, en citeren oude godzalige schrijvers. We zoeken prachtige gedeelten uit, die in onze kraam te pas komen, kortom, we zullen onszelf wel helpen. Op het terrein des levens in algemene zin is alles in nood. De ene grote staatsman weet het al beter dan de andere, en komt met nieuwe denkbeelden aandragen. De oorlog in Korea is voor Kerstdag ten einde en dan zijn onze jongens thuis; men formeert commissies en vergadert en praat en doet alsof heel de wereldnood zo maar in een handomdraai verdwenen zal zijn. Eilieve er is niet alleen nood, maar de nood wordt groter, en wie komt er nu eens aan een eind met alles? Wie verliest nu eens alle hoop op behoud? Waar hoort ge de noodkreet: Heere behoed ons, wij vergaan? Waar hoort ge het waarachtige werk der ontdekking, waaralle werk faalt? Wie leert er nu zijn totale onmacht kennen, onmacht door eigen schuld? Wie leert het en waar beluistert ge het in deze zorgelijke dagen, wat de Heere Zijn kinderen leert? Het is zo weinig een afgesneden zaak. Ge hoort veel bekeerde mensen praten. We kennen niet, en willen niet kennen onze totale doodstaat, om alleen, maar dan ook alleen gered te worden uit het souvereine welbehagen Gods, door Hem in Wie naar het Vaderlijke welbehagen al de volheid wonen zal. We kennen Hem niet. Aan bcord van die schuit slaapt Hij. Wie hoort ge nog praten over de verbergingen van Gods aangezicht? Het schreeuwen naar de hemel en het geen antwoord krijgen? Een zwijgend God ontmoeten. O arme mens, verdwaasd als we zijn in ons praten over God en Christus en zalig worden en de weg des geloofs en over geloofsleren. Intussen zinkt de schuit en laten we God aan Zijn plaats. Dat komt, omdat we niet weten wie we zijn, in welke staat we liggen, blind zijn voor het werk der genade, voor de noodzaak van een geopenbaarde en geschonken Christus en niet een gegrepen Jezus. We zijn kort en goed dood in de zonden en misdaden en weten dat niet. Jonge vrienden, als ik U een zaak van harte toebid, dan is het deze, dat ge verwaardigd moogt worden rechte kennis van God te ontvangen, want daarmee gaat gepaard, of er volgt op, rechte zelfkennis. O, dat ge Uw nood recht leerdet kennen. We gaan niet verloren, maar we liggen verloren. Bedenk toch, wat ik U bidden mag, wèl. Ge kunt trachten U zelf te redden, maar dat zal falen, en dan te laat, voor eeuwig te laat. Ontzettend, ontzettend! Dat het de Heere behage U in Uw jeugd dat te leren. U te leren bidden: Heere behoed ons, wij vergaan! Dat gebed kunnen we niet naleren. Dat leert de Heere Zijn arme lievelingen, die de afgrond van omkomen leren kennen. Die in Hem behoudenis zullen krijgen, niet grijpen, maar krijgen in Hem die het recht Gods volkomen genoeg deed en de stormen van Gods toorn stilde, wijl Hij die toqrn droeg. O haast U om Uws levens wil. Het is nog niet te laat. Ge zijt aan God alles verplicht, doch kunt Hem niets, maar dan ook niets brengen als zonde en schuld. Anders hebben we niet. Te ontvangen genade voor genade, dat is het Goddelijke wonder. Boven dat gebed komt Gods volk niet. Behouden worden door Hem die alle macht bezit in hemel en op aarde, en uit Wien alleen behoudenis geschonken wordt. Het is een bange tijd, wie weet hoe spoedig we in de grootste ellende zitten. Dan zal al Gods lieve volk behoudenis krijgen door Hem die alles verwierf en meedeelt alleen aan diegene, welke Hem van de Vader gegeven zyn. Houdt moed! volk van God, Hij slaapt soms wel, maar waakt toch en straks zal Gods volk eeuwig de haven der eeuwige behoudenis worden binnengebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's

Nood en Redding

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's