JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

CARTESIUS (1596—1650)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CARTESIUS (1596—1650)

5 minuten leestijd

(2.)

Ons korte bestek laat niet toe, geheel het filosofische systeem van Descartes te bespreken. We beperken ons tot enkele markante conclusies.

Niets mag zo maar zonder bewijs aangenomen worden, dat zich niet zó klaar en duidelijk heeft voorgedaan aan de geest, dat er geen spoor van twijfel meer mogelijk is. Even klaar dus als het hier boven besproken zelfbewustzijn. We zien hier dus weer de strijd tegen de Godsopenbaring.

Naast God, die door Descartes genoemd wordt de ongeschapen substantie, kent hij twee geschapen substanties: geest en materie, die elk hun eigen wezenskenmerken hebben.

Het wezenskenmerk van de materie is, dat ze ruimte inneeifit, dus uitgebreidheid bezit. Maar de materie

heeft geen bewustzijn; denkt niet. Het wezenskenmerk van de geest is, dat ze bewustzijn inneemt, dus denkt. Maar de geest heeft geen uitgebreidheid, neemt geen ruimte in.

De Godheid, de geest en de materie zijn aangeboren ideeën; ze zijn de grondslag van alle kennis.

Geest en stof hebben volgens Descartes niets met elkaar te maken. Toegepast op de mens leidt deze stelling tot dualisme tussen ziel en lichaam.

Het menselijke lichaam is een kunstige automaat, beheerst door de mechanische wet van oorzaak en gevolg, gehoorzamend aan „druk-en-stcot". Dat lichaam leeft ook zonder de ziel. Ons lichaam sterft omdat de „machine stuk gaat", niet omdat de ziel er aan ontbreekt. j.

De uiterste consequentie van zulk een beschouwing (waartoe Descartes nog niet kwam) zijn, dat men niet slechts het menselijke lichaam, maar de mens zelf als een machine, een automaat zonder meer gaat beschouwen. Deze consequentie werd getrokken door een Franse geneesheer De La Mettrie in zijn , , L' homme machine", waarin hij, met een beroep op Descartes, het bestaan van een ziel als geest loochent. Men zou de hersenen de ziel kunnen noemen; deze ziel vergaat dus met het lichaam. De mens is in wezen niet meer dan het dier, hij heeft alleen voorrang door de organisatie van de hersenen. Men ziet dus weer, tot welk een levensleer bepaalde filosofische stellingen leiden kunnen en ook in de praktijk geleid hebben.

Ziel en lichaam staan dus volgens Descartes als vreemden tegenover elkaar; ze hebben immers ieder hun eigen wezenskenmerken. Toch moet er contact zijn tussen die beide, want de vraag rijst: Hoe is de wederzijdse inwerking ziel-lichaam te verklaren ? Descartes beschrijft dit contact als volgt:

De ziel zetelt in de hersenen en wel in de pijnappelklier, een onparige klier in het midden van de hersenen (hierin is D. inconsequent, want hij kent aan de ziel geen ruimte toe.) Uit het bloed stijgen nu zogenaamde „levensgeesten" op, die stoffelijk van aard zijn.

Deze levensgeesten planten de indrukken over van de zintuigen naar de ziel en ze br engen ook de wilsbeschikkingen over van de ziel naar de zintuigen. We voelen allen — en zelfs zijn bewonderaars hebben het gevoeld — dat hiermee het probleem over de verhouding ziel-lichaam niet opgelost is, maar ingewikkelder gemaakt is.

Is deze kwestie op te lossen? Luisteren we hier naar Augustinus: , , De wijze waarop de geest een lichaam aankleeft en tot een zinnelijk wezen wordt is onbegrijpelijk. Daarvoor schieten verstand en rede tekort."

In zijn ethiek (zedeleer), stond Descartes onder invloed van de Stoïcijnen. Hij onderscheidde zes hartstochten of passies, namelijk: liefde, haat, begeerte, vreugde, droefheid en verwondering. De mens moest deze aandoeningen door verstandig overleg beheersen. Verstandig overleg! Hier hebben we ook de invloed van het rationalisme in de zielkunde.

De raad van Descartes was: men houde zich aan de godsdienst en de zeden van het Vaderland, onr conflicten te vermijden. Hijzelf heeft daarnaar gestaan en dit is de reden dat hij al zijn denkbeelden niet gepubliceerd heeft.

Toch werden door toedoen van de Jezuïeten zijn werken op de Index geplaatst. Helaas kreeg zijn leer in ons land aanhang, vooral onder de theologen. Het ging daarbij — en daar gaat het uiteindelijk bij alle strijd der geesten om — om de verhouding van de Goddelijke Openbaring en de menselijke rede.

God verwekte in ons land mannen die met kracht het Cartesianisme bestreden. Hier dient allereerst Voetius genoemd te worden, daarbij gesteund door zijn

zoon Paulus en door de Groningse Hoogleraar Schocck. Ook toen de Utrechtse magistraat, verbood voor of tegen Cartesius te schrijven, ging Voetius manhaftig voort met zijn bestrijding. (1643.) In het jaar 1672 was Voetius juist bezig met een dispuut tegen de Cartesiaan Lambert Velthuysen, toen de Fransen binnenvielen.

Ondanks deze gedegen bestrijdingen, heeft het Cartesianisme in de eeuw van verval steeds meer veld gewonnen in Neerlands Kerk.

Nadat Cartesius 20 jaar in ons land geweest was, vertrok hij naar Zweden, daartoe uitgenodigd door koningin Christina van Zweden, die zeer veel belangstelling voor de wetenschap had. Hij kon niet tegen het gure klimaat en stierf reeds het volgende voorjaar, slechts 54 jaar oud, voorzien ^van de sacramenten der stervenden.

17 jaar later ontfermde Rome zich over zijn gebeente, dat begraven werd in Parijs in gewijde aarde. Maar zeer tekenend is het feit dat 125 jaar later, in het jaar 1793 de uit de Franse Revolutie opgekomen Nationale Conventie zijn gebeente overbrengt naar het Panthem, daarmee Descartes erkennend ais de Vader der vrijgeesten die zich onder verheerlijking van de rede gesteld hebben tegen het Woord van God.

Gelukkig die mens, die zijn gedachten heeft laten gevangen leiden onder de heerschappij van Gods Woord. Van dezulken getuigt de Heere: „Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest die voor Mijn Woord beeft."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's

CARTESIUS (1596—1650)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's