JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid |

V. J J. V. te V. vraagt verklaring van Ps. 23 : 4, waar we lezen: Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij, Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij."

Antwoord: Een enkele aanwijzing wil ik hier geven, want deze tekst heeft zulk een rijke betekenis, dat ik niet bij machte ben in enkele regels druk de volheid, heerlijkheid en troost voor het volk des Heeren, in dit woord vervat, weer te geven.

De dichter zegt: „Al ging ik ook door een dal der schaduw des doods. Het is voor Gods volk niet een dal des doods, want de dood als dood is weggenomen en alleen de schaduw is achtergebleven.

Spreken wij van schaduw, dan moet er ook licht wezen. De dood staat ter zijde van de hoge weg, die het volk des Heeren heeft te bewandelen en het licht des hemels op hem schijnende, veroorzaakt een schaduw op hun pad.

Niemand is bevreesd voor een schaduw, althans niemand behoeft bevreesd te zijn. De schaduw van een hond kan niet bijten, de schaduw van een zwaard niet doden, de schaduw van de dood kan 's Heeren volk niet vernietigen.

De goede Herder zal Zijn schapen niet alleen leiden in het dal, maar er hen door heenleiden. Zijn nabijheid zal hen vertroosten. „Gij zijt met mij." Zijn stof en staf, zinspelende op de herdersstaf of de roede onder welke de schapen doorgingen als zij geteld werden of de stok waarmede de herders de honden verjoegen, zal hen vertroosten.

Gods genadige nabijheid in de ure van sterven zal Gods volk tot bemoediging zijn. Hij kent de Zijnen. Hij zal de vijand bestraffen. Hij zal Zijn volk leiden met Zijn staf. Hij zal hen steunen met Zijn stok.

J. V. te V. merkt op, dat er in Pred. 1 : 4 te lezen is: De aarde staat in der eeuwigheid" en dat in Openb.

21 gesproken wordt van een nieuwe aarde. Hij vraagt hoe dat in overeenstemming te brengen is.

Antwoord: Als er in Openb. 21 gesproken wordt van een nieuwe aarde, dan betekent dat een vernieuwde aarde. Zie kanttekening Statenvertalers.

2 Petr. 3 : 10 spreekt ook, dat de aarde en de werken, die daarin zijn zullen verbranden. En als ge daar dan een verklaring over leest, dan zult ge lezen, dat dit verbranden een louterend verbranden zal zijn voor de werken van Gods handen, opdat de jeugd der schepping helderder er uit te voorschijn kome en de heiligen daarin des te beter de heerlijkheid des Heeren mogen zien.

Toen de zonde in de wereld ingekomen was, heeft de zonde niet alleen haar verdervende invloed doen gaan over de mens, maar ook over de werken van Gods handen. Daarom zegt de Heere tegen Adam: „Om uwentwil is het aardrijk vervloekt." Die vloek is gekomen op cle dierenwereld, op de plantenwereld, op de delfstoffenwereld. Daarom zegt Paulus: „Het ganse schepsel zucht."

De duivel, die het altijd toelegt op mislukking, wint het niet. Hij heeft het reeds verloren.

De Heere zal de vervloekte aarde weer hersteilen en dat zal Hij doen door Zijn louteringsvuur.

Als Hij eenmaal zal komen op de wolken des hemels, dan zal de aarde brandende voorbijgaan, d.w.z. de zonde zal worden uitgebrand en de vloek zal worden opgeheven en de aarde, die tot in eeuwigheid staat zal dan weer beantwoorden aan haar oorspronkelijke bestemming. Dan zal het zijn: „Al Uw werken zullen U loven."

Vragen, die gesteld worden over kunstmatige bevruchting kunnen in Daniël niet beantwoord worden. Deze vragen zijn te kies.

Een lange brief kreeg ik van Mlej. h. te Z., waarin zij vraagt of het dragen van bruine kousen door meisjes geoorloofd is.

Antwoord*: Doordat ik met aandacht Uw brief gelezen heb en goed begrijp, hoe U tot die vraag komt, wil ik er iets van zeggen.

Vraagster heeft een gesprek gevoerd met twee mensen.

De één, voor wie algemeen achting is, tilt er niet zo zwaar aan en zegt: „Kleur is kleur."

De ander, die de achting van de eerste moet missen zit vol kritiek en veroordeelt alles. Hij redeneert uit een wettische hoek en legt de jeugd lasten op, die niet te dragen zijn.

Alles moet zwart zijn, om der zonde wil. Is het niet zwart, dan is het niet godzalig.

U begrijpt wel, dat ik het met de laatste helemaal niet eens ben. Ik pleit en dat heb ik altijd gedaan voor een eerbaar gewaad. Ik waarschuw tegen wereldgelijkvormigheid, maar ik heb even groot bezwaar tegen dat wettisch gedoe.

Wanneer er meer was een open cog voor hetgeen de Heere Jezus heeft gedaan voor Zijn volk — en Hij heeft alles volbracht — en de Vader heeft alleen behagen in Zijn werk, waarin Hij verheerlijkt wordt, dan zou men zich niet zo druk maken over het dragen van bruine kousen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1951

Daniel | 7 Pagina's