Ds L.G.C. Ledeboer
Het duurde dan ook niet lang, of van alle kanten kwamen des Zondags de mensen naar Benthuizen om Ds Ledeboer te horen, van wie zulk een naam uitging. Niet omdat hij zo'n geweldig redenaar was, kwam men hem horen, maar omdat uit zijn preken altijd diepe en heilige ernst sprak. Maar ook door zijn handel en wandel legde hij beslag op zijn ganse omgeving. „Wie hem over de weg zag gaan, die lange slanke gestalte met dat bleke gelaat en de kleine blauwe ogen; wie hem opmerkzaam gadesloeg, zoals hij meestal gekleed was met de korte broek, de deftige steek en de lange zwart lakense jas, tot bovenaan dicht, met één rij knopen, kreeg dadelijk de indruk, dat een ernstig man voorbijtrad." (Landwehr.)
En ernstig was hij. Steeds drukte hem het gewicht der eeuwigheid. In zijn prediking stond dan ook altijd op de voorgrond: alleenlijk ken uw ongerechtigheden. Altijd hield hij aan zijn hoorders hun diepe ellende voor. Maar daarentegen kon hij ook zeer liefelijk het aanbod van genade doen horen. Daarbij was Ledeboer ook zeer vrijmoedig. Eén voorbeeld. Toen hij eens te Woubrugge preekte, hoorde hij, dat er een onbekeerde voorzanger was. Hij zei daarop in de preek: „Een onbekeerde voorzanger en een schoon orgel zijn precies gelijk."
„Het gebeurde, dat wanneer Ds Ledeboer over de weg ging en jongens aan het dobbelen of knikkeren waren, zij uit achting en vrees voor de dominé hun centen, knikkers en dobbelstenen opraapten, opdat de dominee het toch niet zien zou." (Ter Gedachtenis.) Men ziet, de jeugd had toen achting en eerbied voor een knecht Gods.
In 't begin gebruikte Ds Ledeboer op de catechisatie het vragenboekje van Lucas Egeling. Eén zijner catechisanten wees hem er op, dat er in dit boekje onjuistheden stonden. Dominee keek hiervan verwonderd op, waarop de catechisant liet volgen: „Ik gebruikte vroeger Hellenbroek." „Hellenbroek ken ik niet. Breng het eens mee, " antwoordde dominee. Nadat hij het gelezen had, beviel het hem zó goed, dat hij het boekje opnieuw liet drukken en het voortaan op de catechisatie gebruikte. Na zijn uittreding preekte hij in de week vaak op andere plaatsen, zodat zijn ouderling Gerrit de Roos voor hem catechiseerde.
In de dienst liet Ds Ledeboer altijd de psalmen van Datheen zingen. De gezangen waren hem een doom in zijn oog. Hij noemde ze „lichte liederen, " „Sirenengezang der wereld." „Er zijn leugens op schier elke bladzijde." ('s Heeren wegen, bldz. 69.)
zijde." ('s Heeren wegen, bldz. 69.) Thans iets over Ds Ledeboer als herder. Want dat was hij ook. Op huisbezoek ging hij steeds recht op het doel af. De ongeregelden kon hij zeer ernstig vermanen, de kleinmoedigen opbeuren en de verslagenen troosten. Hoewel van aristocratische afkomst, kon hij zeer goed tot anderen afdalen. Hij was een opgevoed man en er was een zekere deftigheid in al zijn manie-
ren. Hij was bijzonder mededeelzaam en in 't geheel niet gierig of geldzuchtig.
„Het was een strenge winterdag. Geheel vervuld van de genade Gods, dat hij zo wel verwarmd en zo goed gekleed kon uit-en ingaan, zag hij een oude, arme man op de weg voor zich uitgaan in lompen gehuld en met een zwaargeladen wagen aan de hand.
Dat kon Ds Ledeboer niet zien.
Zijn medelijdend hart brak.
Dat mocht niet langer zo.
Hij nodigt de arme uit om hem te volgen naar een in de nabijheid gelegen schuur. Toen hij daar gekomen was, trok dominee zijn eigen overjas en hemdrok uit en hielp ze de oude man aandoen.
Daarop nam hij hem mee naar zijn woning. Daar gekomen verzocht hij zijn huishoudster om het karpet, dat op de vloer lag, op te rollen. Dat gaf hij de oude mee, want hij wilde niet langer met zijn voeten vertreden, wat een ander kan gebruiken, om er het lichaam mee te dekken." (Landwehr blz. 49.) Hij gaf zoveel weg, dat hij later" door zijn familie onder curatele werd gesteld. Men was bang dat hij door zijn offervaardigheid zichzelf in moeite zou brengen.
Hij stond altijd vroeg op en begon de dag met een plechtige afzondering in gebed. Daarna verliet hij zijn kamer en zong meestijds Ps. 25 : 2 volgens de berijming van Datheen. Des avonds zonderde hij zich weer af tct gebed.
Persoonlijke noden, de behoeften der kerk, de noden van land en volk droeg hij de Hesre op. Hij had bijzondere gebedsdagen. Met recht kunnen we van hem zeggen, dat hij een man voi des Heiligen Geestes was. Hij gevoelde zich altoos „ambassadeur van het hemelhof." (Beversluis, bldz. 17.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1951
Daniel | 12 Pagina's