JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ds. L. G. C. Ledeboer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. L. G. C. Ledeboer

5 minuten leestijd

(V.)

Op enige afstand van Leiden ligt het rustige, landelijke dorpje Benthuizen. In het jaar 1836 was Ds Junius hier als predikant gekomen. Doch twee jaar later nam deze reeds een beroep aan naar Geervliet. Op de kerkeraadsvergadering van 21 Maart 1838 werd een aanvang gemaakt met het beroepingswerk. Een nominatie van twaalf predikanten werd opgesteld, waarop ook Ds Ledeboer voorkwam.

Uit dit twaalftal werd een drietal gevormd bestaande uit de candidaten Ledeboer, Hiebink en Doedes. Op de vergadering van 2 Mei werd met eenparigheid van stemmen candidaat Ledeboer beroepen. Op de kerkeraadsvergadering van 28 Juli was Ledeboer, die het beroep inmiddels had aangenomen, persoonlijk tegenwoordig, waar hij door de consulent Ds Benthfort van Valkenburg, predikant te Zoeterwoude, met zijn beroeping werd gelukgewenst. Tevens deelde de consulent daar mede, dat hij, op verzoek van Ledeboer, de bevestiging had afgestaan aan Ds Hugenholtz van Rotterdam; een neef van Ds Ledeboer. Zondag 29 Juli 1838 had de bevestiging plaats naar aanleiding van Openbaringen 1 : 17 en 18. „En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten en Hij leidde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: rees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levendig in alle eeuwigheid."

Des middags deed Ds Ledeboer zijn intrede met d'e woorden uit Psalm 121 : 2 „Mijn hulpe is van de Heere, Die hemel en aarde gemaakt heeft."

Met een oude huishoudster betrok Ds Ledeboer de pastorie te Benthuizen. In de eerste jaren is ook zijn zuster Petronella bij hem geweest. Van zijn gaan naar Benthuizen heeft Ds Ledeboer zelf ook iets geschreven. „Ik mocht de Heere bidden vóór ik op mijn tegenwoor-

dige standplaats werd geroepen, dat Hij mij nergens brengen mocht, of het mocht zijn om ter verheerlijking van Zijn Naam, tot mijner en anderer ziele zaligheid te verstrekken. Hij liet mij niet toe dan zelden, voorzover ik met Zijn wegen bekend of onbekend was, mijzelven te prediken; dit is in die zin, dat Hij mijn gaven liet besteden, niet om voor de mensen te schitteren, noch die uit te zetten tot mijn eer, neen, maar om die schade te achten om Hem; dat legde de Heere in mij. Hij moest mij brengen, waar Hij mij hebben wilde. Zo ben ik tegen wensen en mijn gedachten te Benthuizen geroepen, niet door mensen, maar door de Heere; dat heeft Hij mij klaarlijk getoond en bevestigd aan mijner en andere zielen, die Hij uit de duisternis wilde trekken tot Zijn wonderbaar licht en dat bevestigt tot op deze dag." ('s Heeren wegen, bldz. 15.)

Al spoedig bleek dat Ds Ledeboer zijn roeping met ernst en nauwgezetheid opvatte. In de kerkeraadsvergadering van 13 October 1838 stelde hij voor: „Om tot bevordering van de plechtige en stille viering van des Heeren dag het vriendelijk voorstel aan de winkeliers en andere verkopers en verkoopsters te dezer plaatse te doen, om die gehele dag niet te verkopen vóór, onder of na kerktijd, alsmede aan de herbergier te dezer plaatse om mede op die dag geen drank of iets te geven aan ingezetenen te dezer plaatse, alsmede om door niemand op die dag het billard te laten gebruiken."

Op zekere Zondagmorgen had Ds Sirnons van Dordrecht te Benthuizen gepreekt en toen Ds Ledeboer 's middags optrad, zei hij: „Die man heeft de leugen verkondigd. Alle mensen worden niet zalig." Ds Simons wilde een aanklacht tegen Ds Ledeboer indienen, maar < Ds Sittim van Zoetermeer heeft hem hiervan weerhouden.

Korte tijd nadat Ds Ledeboer de herdersstaf te Benthuizen had opgenomen, kwam er een verandering in zijn prediking, welke voortvloeide uit een bijzondere werking des Heiligen Geestes in hem. Ds Ledeboer schrijft daarvan: „Het eerst bepaalde mij de Heere bij mijn gemis, hoe ik een hemel zocht zonder Christus, hoe ik onwedergeboren was; niet verstond mijn leven is in Christus verborgen bij God, mijn onmacht niet kende en wat ik anderen geleerd had, zelf nog moest leren. Ik zag mijn afstand van de Heere en hoe ik zonder Christus' bloed en geest geen gemeenschap met de Vader hebben kon, daar ik niets aan doen kon, maar in afwachting moest blijven, tot ik werd opgenomen op 's Heeren tijd. Drie dagen en drie nachten lag ik te wachten in die toestand, hulpeloos en reddeloos op Gods geest en Gods bloed. Zo lag dan in mijn ziel, telkens meende ik de Heere zou komen, maar het was Zijn tijd nog niet. Daarna liet de Heere mij bij het gezicht van schuld om genade roepen, bracht mij bij Christus' lijden, maar ik was ongered en onverzoend, dood in zonden en misdaden. Ik at of dronk ganselijk niet. Zo kon het niet langer bijlven, daar moest uitkomst komen. Mijn verstand moest gevangen genomen worden, dat moest ik verliezen; dat koste wat... De Heere overwon... Het was op een Maandagmorgen, dat ik alleen op mijn kamer was, het plekje weet ik, dat ik na alle die worstelingen en afwachtingen in mijn schuld gezet werd en uitroepen moest, gelijk dit maar eens in zijn leven alzo geschied, met de tollenaar, die ik zelf daar was: „O, God, zijt mij arme zondaar genadig. Bekeer mij, mijn vader, mijn moeder, mijn broers en zusters. Amen." Daarop zonk ik ter aarde en meende te sterven en zo de adem uit te blazen. Toen was het uurtje der minne en werd hier bevestigd, wat er van de tollenaar geschreven staat: en hij ging af, gerechtvaardigd in zijn huis. De hemelen werden mij in de geest als geopend, het was mij alsof er een kind geboren was... De Bijbel, psalmen en oude schrijvers werden mijn voedsel. Geen zondige gedachte kwam er drie weken in mijn ziel op. Met Christus ontwaakte ik, stond ik op, sliep ik in, ging ik ter ruste dag en nacht. In Zijn drie ambten leerde ik Hem achtereenvolgens onderscheidenlijk kennen. Een Drieëennig God was mijn deel geworden." ('s Heeren wegen. bldz. 18, 23.) De Zondag daarop preekte hij over deze woorden: „Dit weet ik, dat ik eerst blind was, maar nu zie."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1951

Daniel | 12 Pagina's

Ds. L. G. C. Ledeboer

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1951

Daniel | 12 Pagina's