Grepen uit de Letterkunde
(35.)
Jacob Cats. Enkele werken
In 1888 hield Dr A. Kuyper bij de overdracht van het rectoraat der Vrije Universiteit een rede over „Het Calvinisme en de Kunst." In die rede werden Cats' werken hoog geprezen. „Uit zijn werken zou men een Calvinistisch dogmatiekje kunnen samenstellen, " zo sprak Dr Kuyper.
Baron van Heeckeren schreef in Taal en Letteren (1895): „In uitgebreidheid van wetenschap was hij een evenknie van Hooft, Reael, Vossius, ja, van Hugo de Groot." Op een andere plaats heeft genoemde baron het over Cats' zinnebeelden en schrijft:
„Men neme b.v. uit zijn zinnebeelden: Een papegaai in een kooi. Hooft heeft datzelfde zinnebeeld gebezigd en evenals Cats het in het Hollands, Latijn en Frans behandeld, maar hij heeft het alleen op de min toegepast. Cats trekt er uit: een minneles, een zedeles en een les voor het godsdienstig leven. De minneles is bij Hooft zowel als bij Cats gemakkelijk te raden. Gevangen en veilig voor de liefde te zijn is beter dan daarbuiten door alle boze dieren (verkeerde hartstochten) te worden vervolgd, maar wie kan de zedeles vermoeden, die Cats er uit trekt, de raad om te lijden met geduld en de les voor het godsdienstig leven, dat de ge-
vangenschap in God de hoogste vrijheid is, wie heeft daar ooit bij een papegaaienkooi aan gedacht? "
Busken Huet heeft niet veel lof van Cats. In „De Gids" van 1863 schreef deze criticus: „Deze (d.i. Cats) godvrezende moneymaker is dc incarnatie geweest van de Nederlandse daemon. Met zijn door en door laaghartige moraal, zijn leuterlievende vroomheid, zijn keutelachtige poëzie, heeft hij onnoemelijk veel kwaad gesticht, zijn populariteit is een nationale ramp geweest. De verbeelding onzer jeugd heeft hij bezoedeld met zijn kwansuis redelijke, doch in de grond wellustige verhalen, zijn speelse lessen. Geen fatsoenlijk meisje van onze tijd kan dit of dat gedicht van Cats ten einde toe doorlezen, geen onzer opgeschoten knapen kan straffeloos bladeren in de nalatenschap van deze vrome raadpensionaris."
Hoe verschillend zijn de beoordelingen. De waarheid zal ook hier wel in het midden liggen. Toch heeft Huet wel enigszins gelijk: Ik heb een jongeman gekend, die op zedelijk gebied niet hoog stond en die de werken van Cats las, om aan zijn onreine gedachten voedsel te geven. Als we aanmerken, dat Cats in „Self-Strijdt" ongeveer drieduizend regels bijeen rijmt alleen over het gesprek tussen Potifars vrouw en Jozef, dan kan men vatten, dat genoemde jongeman óók nog tussen die massa regels las. Cats gaf hem daar wel enigszins aanleiding toe, om zolang over de verleiding van die Egyptische vrouw te schrijven.
Zo ongemerkt hebben we al iets van Cats' werken genoemd. De raadpensionaris heeft véél geschreven.
Een bekend werk is: „De Sinne-en Minnebeelden, " dat in 1618 verscheen, verlucht met prenten van de bekende kunstschilder Adriaan van de Venne. Hieruit het volgende (by de afbeelding van een papegaai in een kooi):
„De wilde papegaai, eerst in het woud gevangen, Wil enkel uit de kooi, en door de sporten sprangen, Maar als ze gene troost in dit geweld en ziet, Zo stelt ze zich gerust, en zingt een geestig lied. Wanneer er enig mens met druk is overladen, Ik weet hem groot behulp tot alle grote kwaden; Want, als de ganse ziel met plagen is vervuld, Daar is geen beter ding, als lijden met geduld.
Al vloog ik in het woud, al zat ik daar verborgen, Nog leef cl' ik evenwel in velerhande zorgen; Het ruisen van een riet, het drillen van een blad, Dat bracht mij in de schrik van ik en weet niet wat: Nu ben ik (naar het schijnt en zo je meent) gevangen Maar vriend, het is gemist; 'k en hebbe geen verlangen Te wezen wat ik was. Een harde slavernij, Die maakt ook in de dwang een reine ziele vrij."
„Self-Strijdt" verscheen in 1620 en gaat over de goede en kwade gedachten.
Vijf jaren later kwam van de pers: „Houwelijck, dat is: Het ganse beleid des echten-staats; afgebeeld in zes hoofdstukken, te weten: Maagd, Vrijster, Bruid, Vrouwe Moeder, Weduwe, behelzende mede de mannelijke tegenplichten." De eerste twee afdelingen bestaan uit samenspraken tussen twee jonkvrouwen, de laatste vier beschrijven de plichten der gehuwde vrouw.
„Huis-en Zedebeelden" ziet in 1627 het licht. proeve uit dit boek is o.a.: Een
„Als de most 1 ) te nauw bedwongen Leit en worstelt, leit en zucht, Zonder adem, zonder lucht, Ziet! dan doet hij vreemde sprongen, Ziet! dan riekt de ganse vloer Naar de dampen van de moer 2 ) Alle banden, alle duigen, Die het vrij, het edel nat Hielden in het enge vat Moeten wijken, moeten buigen, Voor de krachten van de wijn, Hoe geweldig dat ze zijn.
Als een koning vrije lieden, Op een ongewone voet, Dit een trotse overmoed, Al te vinnig wil gebieden, Daar en is geen twijfel aan, Of het moet er kwalijk gaan. Strenge prinsen, harde vorsten, Die met al te nauwe band Drukken op het ganse land, Doen het al in stukken borsten. Want een rijk van enkel dwang Duurt gemeenlijk niet te lang."
INDEX
*) druivesap. 2 ) bezinksel, droesem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 februari 1951
Daniel | 12 Pagina's