JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

Mej. J. de Vr.-de W. te R. schrijft: „Onlangs hoorde ik een predikant zeggen, dat Christus Zijn begrafenis bewust heeft doorleefd, omdat ook in het graf de Goddelijke natuur niet van de menselijke was gescheiden. We lezen toch, dat de ziel van de Heere Jezus terstond is opgenomen in de hemel. Dan kan toch nooit de Goddelijk natuur in het graf aanwezig zijn geweest? "

Antivoord: De dominee heeft gelijk. Uit Uw vraag blijkt, dat U de menselijke ziel van de Heere Jezus vereenzelvigd met Zijn Goddelijke natuur. Dat is een dwaling.

Het is natuurlijk wel waar, dat er een scheiding kwam bij de dood van de Heere Jezus tussen Zijn ziel en Zijn lichaam. Als de Heere Jezus zegt: „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijn geest" en verder: „En het hoofd buigende, gaf Hij de geest, " dan betekent dit, dat Hij Zijn menselijke ziel in* de hand Zijns Vaders stelde. De ziel ging dus naar de hemel. Als het lichaam van de Heere Jezus begraven wordt, is dat dus het lichaam zonder ziel, waaruit blijkt, dat Hij waarlijk gestorven is.

Maar de Goddelijke natuur is niet gescheiden geweest van de menselijke natuur. Onze belijdenis-geschriften schrijven er zo over:

„Doch deze twee naturen zijn alzo tezamen verenigd, in één persoon, dat zij ook zelfs door Zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Zo was dan hetgeen Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde, maar hierentussen bleef de Goddelijke natuur altijd verenigd met de menselijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag." (Art. 19 N.G.B.)

Daarom werd het lichaam van Christus in het graf liggende, Gods „Heilige" genoemd. Ps 16 : 10: Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie."

C. V. te H. vraagt of er een zeker bewijs is, dat de Heere Jezus de rietstok heeft aanvaard. Vrager gelooft dit wel van de doornenkroon en purperen kleed, maar omdat hij in een predikatie van een oudvader gelezen heeft de mogelijkheid, dat de Heere Jezus de rietstok, die eigenlijk een spotscepter was, niet aanvaard heeft, vraagt hg ons oordeel.

Antwoord: n Matth. 27 : 27—31 staat duidelijk, dat de krijgsknechten de Heere Jezus een purperen mantel aan deden, dat zij een kroon van doornen gevlochten hebbende, op Zijn hoofd zetten en een rietstok in Zijn rechterhand. De andere evangelisten zwijgen over de rietstok, maar dit betekent niet, dat Hij deze niet aanvaard heeft. U kunt er niet onder uit door te zeggen, dat die rietstok een spotscepter was, want dat purperen kleed was ook een spotkleed en die kroon een spotkroon.

Hier zal ik eens neerschrijven, wat een oudvader zegt van die rietstok.

„Ziet naar Zijn sidderende hand, zij houdt de rietstaf, die de moedwil daarin legde; zij werpt die niet onwillig en vertoornd neer. Hij schikt Zich naar hun spot; Hij houdt Zijn rug voor degenen, die Hem slaan en Zijn wangen, degenen, die Hem het haar uitplukken. Maar we ontdekten nog iets anders; ziet in die gedaante met de doornenkroon, purperen mantel en rietstok nog een beeld Zijner hemelse waardigheid. Evenals daar de doornenkroon, zo rust nu de kroon van het hemels Koningschap op Zijn hoofd, evenals daar een een oude purperen mantel, zo zijn thans de hemelen Zijn kleed en het eeuwige frisse purper van het morgenrood is de zoom van Zijn kleed. Gelijk daar een ellendige rietstaf, zo ligt thans de scepter der wereld in Zijn rechterhand; die gaat uit van Zion en heerst onder Zijn vijanden en vrienden."

W. O. te V. vraagt of het geoorloofd is per openbaar vervoermiddel 's Zondagsavonds naar de garnizoensplaats terug te keren.

Antwoord: Volgens vrager krijgt een ongehuwd soldaat eenmaal per maand 36 uur verlof, m.a.w.: voor iemand, die onder de wapenen is en wiens woonplaats ver vei*wijderd is van zijn garnizoen, is er maar eenmaal in de maand gelegenheid 's Zondags thuis te zijn. Nu kan hij andere Zondagen ook wel thuis zijn, maar dan moet hij 's Zondagsavonds met trein, bus of boot weer terug.

Hoewel ik goed kan begrijpen, dat u gaarne de Zondag in huiselijke kring doorbrengt, kan ik nooit goed keuren, dat u op Zondag van een openbaar vervoermiddel gebruik maakt.

Dit is een openbare zonde tegen het vierde gebod van Gods heilige wet. We kunnen wel redeneren, dat van Geref. zijde aangedrongen wordt bij de ouders hun jongens zoveel mogelijk in het gezin te laten verkeren, toch heiligt het doel de middelen niet. Ik weet, dat het in onze kringen tegenwoordig zo „nauw" niet meer wordt genomen, maar dat is geen vooruitgang, maar achteruitgang. Een volk, dat de Zondag als Gods dag los laat, is ten ondergang gedoemd.

A. V. te K. vraagt wat de betekenis is van Philipp. 2 : 10, waar we lezen: Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn.

Antwoord: In dit hoofdstuk wordt gesproken over de staat van Christus' vernedering en van die van Zijn verhoging en dan zegt de apostel, dat alle knie zich voor Hem buigen moet, d.w.z. de gehele schepping moet aan Hem onderworpen zijn: de dingen die in de hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn; de bewoners van hemel en aarde, de levenden en de doden.

De Statenvertalers gaan in dezelfde richting.

Zij spreken van heilige engelen en zalige zielen (die in de hemel zijn) valn alle mensen, op aaixle levende, (die op de aarde zijn) en van alle mensen, die gestorven en in de graven zijn, of ook alle boze geesten en verdoemde mensen, die in de hel zijn, de alle redegebruikende schepselen in welke plaats der geschapen wereld zij ook zouden mogen zijn (die onder de aare zijn)

„Want" zo zeggen onze vaderen en zeer terecht: Hoewel de duivelen en de goddeloze en verdoemde mensen Christus de behoorlijke onderdanigheid en eer niet tonen, zo moeten zij nochtans, ook tegen hun wil Hem als de Heere en Rechter over allen onderworpen zijn, zoals we lezen in Ps 22 : 30: Allen die in het stof nederdalen zullen voor Zijn aangezicht nederbukken" of zoals de dichter van Ps. 72 : 9 getuigt: De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor Zijn aangezicht knielen en zijn vijanden zullen het stof lekken en alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle heidenen zullen Hem dienen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 februari 1951

Daniel | 12 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 februari 1951

Daniel | 12 Pagina's