EEUWIGHEID
Het laat zich door geen pen beschrijven, Dat onbestemde, vraag gevoel. Dat niemand op deez' aard kan blijven, Dat dagelijks mijn hart doorwoelt.
i Wat is het uur, wat is de tijd. Wat is mijn vluchtig mens'lijk leven. Gemeten met de eeuwigheid ? Zou ik naar grote dingen streven?
, .Door Uwe adem heb ik 'f leven; God, Gij zijt eeuwig en mijn ziel (Waarin Uw beeld eens was verweven) ; Eist Gij terug, ofschoon ik viel.
En mijn verstand verslaat het niet, Mijn geest kan nooit die diepte peilen, ; Schoon *t oor 't niet hoort, het oog 'f niet ziet, Toch zal Uw eeuwig Woord niet feilen.
In Uwe hand zijn mijne tijden. Wanneer de ziel van 'f lichaam scheidt, Wacht rnij dan aan de and're zijde, In d' eindeloze eeuwigheid."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1951
Daniel | 12 Pagina's