Van het Zendingsveld
(54.)
Licht in diepe duisternis.
In het prachtige veertigste hoofdstuk van Jesaja lezen we. „ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!" Als we een enigszins uitgebreide atlas doorbladeren, worden we aan die uitspraak van de profeet herinnerd. Als dun stof liggen in het zuidelijk gedeelte van de Grote Oceaan de eilanden verspreid. Van Nieuw-Guinea, het grote eiland dat momenteel in het brandpunt van de belangstelling staat, loopt zuidoostwaarts een eilandenboog om Australië heen. Naar de donker gekleurde Papoea's heet die eilandengroep „land der zwarten" (Melanesië). Hiermee evenwijdig loopt een onderzeese rug van het noordoosten van Australië uit. Aan de buitenkant van Melanesië lopen de kleine eilanden: Micronesië (micro betekent „klein.") Verder vinden we zeer verspreid liggende eilanden, die de naam dragen van Polynesië (poly betekent „veel"). De meeste van die eilanden zijn ontstaan door de duizenden koraaldiertjes. Deze diertjes bouwden riffen (gesteenten), die langzamerhand overdekt werden met kiezel. Vervolgens werd slijk aangevoerd, er kwamen planten groeien en zodoende werden het bewoonbare eilanden. Het zou zeer interessant zijn na te gaan op welke wijze de eerste bewoners er kwamen wonen: sommigen door schipbreuk, anderen doordat ze met hun vissersscheepjes door de sterke stroom er heen werden gevoerd, en breidt het verder maar uit. Zodoende zijn er haast geen eilanden te vinden, die niet worden bewoond.
Door de ontdekkingsreiziger Cook werd Polynesië ontdekt. Er kwamen in Europa wonderlijke berichten binnen over die bizonder-schone eilanden in de Stille Zuidzee. Daar zou het zo schoon zijn als weleer in het hof van Eden! Daar zouden onbedorven natuurmensen wonen!
Hoe gans anders was de nadere kennismaking! La Pérouse, een Franse zeevaarder, schreef: „De stoutste schurken zijn niet zo huichelachtig vals als deze eilandbewoners. Al hun vleierijen zijn leugens. Niet één trek van waarheid kon ik in hun gezichten ontdekken." Ontzettend diep waren de eilandbewoners gezonken. Er was bijkans geen Godsbegrip meer. Verschrikkelijke gruwelen werden dagelijks bedreven. Mensen werden geofferd en opgegeten. Van naastenliefde was schier geen spoor te vinden. Krijsgevangenen werden gedood. Als het mannen waren, sloeg men ze de schedel in; vrouwelijke gevangenen mochten niet langer leven, opdat er geen krijgslieden geboren zouden worden.
De opperhoofden waren tirannen. De onderdanen werden als slaven gebruikt.
De vrouwen waren op haar beurt weer slavinnen van de mannen. Ze werden als dieren behandeld.
Als we dit alles nagaan, dan kunnen we wel begrijpen, dat diefstal, roof en moord dagelijks-voorkomende zaken waren.
Hoe verschrikkelijk was het leven op die eilanden. Beklagenswaardig het lot van hen die daar werden geboren. Hoe groot is het voorrecht toch, om in een geordende maatschappij het levenslicht te mogen aanschouwen.
Wanneer de zendingsarbeid alleen die vruchten afwerpt, dat dit diepgezonken mensenras vredig en ordelijk kan leven, dan is het al veel. Maar er is in Polynesië en Micronesië nog meer gebeurd. Ook het Woord Gods werd gebracht. Op het eerste gezicht zou men verwachten, dat het daar zeker ploegen op de rotsen zou zijn, maar Gods wegen zijn zo wonderlijk.
Het Londens Zendingsgenootschap zond in 1796 een schip met zendelingen naar het eiland Tohiti op de Gezelschapseilanden, een groepje van Polynesië. 't Was een hachelijke onderneming. Er was veel geld voor nodig en resultaten waren niet te zien. De ene teleurstelling volgde op de andere. Wel twaalf jaren lang werd tevergeefs gearbeid. Om moedeloos te worden, en het bijltje er bij neer te leggen.
Maar ziet, als God werkt, wie zal het dan keren?
Koning Pomare liet zich dopen, met het gevolg, dat de afgodsbeelden werden opgeruimd en een gehele ommekeer in zeden en gewoonten plaats greep. Priesters werden ook gedoopt. De tempel van de oorlogsgod Oro werd vernietigd. Zelfs gingen inboorlingen, toegebracht tot het Christendom, De Blijde Boodschap brengen op de naburige eilanden.
Eén der zendelingen op Tahiti kon later schrijven: „Er is hier geen enkel beslist heiden meer te vinden. Op Tahiti hoort men thans geen vloeken noch zweren
meer... behalve als er Europese schepen liggen."
Dat laatste zinnetje spreekt boekdelen. De Europeanen, zo vroegtijdig al tot het Christendom gebracht, vloekten... het diepgezonken volk van Tahiti deed die zonde niet meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1951
Daniel | 12 Pagina's